ECLI:NL:GHAMS:2013:CA2691
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid bestuurder voor nageheven loon- en omzetbelasting na faillissement BV
In deze zaak staat de aansprakelijkheid van een bestuurder centraal voor de door zijn BV niet betaalde loon- en omzetbelasting over 2006. Na een eerdere procedure bij de rechtbank en het Hof te ’s-Gravenhage, waarbij de aansprakelijkheid werd bevestigd, vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam.
Het Hof stelt vast dat voor de maanden juni tot en met december 2006 een tijdige melding van betalingsonmacht is gedaan, waardoor aansprakelijkheid voor die periode alleen kan worden aangenomen bij bewijs van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Voor de maanden januari tot en met mei 2006 is de aansprakelijkheid terecht vastgesteld vanwege het ontbreken van een tijdige melding.
De ontvanger kon slechts voor een deel van de periode juli tot en met december 2006 aannemelijk maken dat sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur, namelijk vanwege het willens en wetens te hoog claimen van voorbelasting. Andere stellingen van onbehoorlijk bestuur, zoals het voortzetten van de onderneming na faillissement, werden niet bewezen geacht.
Het Hof vermindert daarom het aansprakelijkheidsbedrag van € 87.559 tot € 33.413 en veroordeelt de ontvanger tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 16 mei 2013.
Uitkomst: De aansprakelijkheid van de bestuurder wordt verminderd tot € 33.413 wegens gedeeltelijk bewezen kennelijk onbehoorlijk bestuur.