ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3902
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over effectenlease en restschuldverdeling tussen Dexia en cliënt
In deze zaak gaat het om een effectenleaseovereenkomst die de geïntimeerde in mei 2000 met een rechtsvoorgangster van Dexia is aangegaan. De leaseovereenkomst is inmiddels beëindigd en er resteert een schuld van € 3.985,55 die niet is voldaan. Dexia vorderde betaling van deze restschuld en een vergoeding van betaalde termijnen.
De kantonrechter had de vorderingen van Dexia grotendeels afgewezen, maar het hof vernietigt dit vonnis. Het hof oordeelt dat de verbindend verklaarde 'Duisenberg'-regeling niet van toepassing is op de geïntimeerde, omdat zij tijdig heeft laten weten hier niet aan gebonden te willen zijn. Het hof past het zogenaamde Hofmodel toe om te beoordelen of de leaseovereenkomst een onaanvaardbaar zware financiële last vormde.
Uit de berekeningen van Dexia, die het hof volgt, blijkt dat de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last voor de geïntimeerde inhield. Daarom is Dexia niet gehouden tot vergoeding van betaalde termijnen, maar wel tot vergoeding van tweederde van de restschuld. De geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van een derde van de restschuld en tot terugbetaling van een bedrag dat Dexia reeds heeft voldaan. Tevens wordt de geïntimeerde veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van een derde van de restschuld en terugbetaling van een bedrag aan Dexia, met wettelijke rente.