Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2014:1741

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2014
Publicatiedatum
14 mei 2014
Zaaknummer
200.137.595/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omzetting faillissement in wettelijke schuldsaneringsregeling na aantonen goeder trouw

Appellanten zijn in eerste aanleg afgewezen in hun verzoek tot opheffing van hun faillissementen onder toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank oordeelde dat zij nieuwe schulden hadden laten ontstaan en onvoldoende medewerking hadden verleend.

In hoger beroep stelden appellanten dat hun schulden voortkwamen uit baanverlies en gedwongen verkoop van hun woning met verlies. Na faillissementsuitspraak waren bankrekeningen geblokkeerd, wat leidde tot nieuwe schulden die zij met betalingsregelingen trachtten af te wikkelen. Zij betwistten ontrouw en gaven aan gemotiveerd te zijn de schuldsaneringsregeling na te leven.

De curator bevestigde dat de nieuwe schulden gering waren en dat appellanten hun informatieverplichting verbeterd hadden. Het hof oordeelde dat appellanten te goeder trouw waren, ook ten aanzien van de nieuwe schulden die voortkwamen uit de blokkade van rekeningen. Gezien hun motivatie en bereidheid tot verhuizing en werk zoeken, wees het hof het verzoek toe en vernietigde het vonnis van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot omzetting van faillissementen in de wettelijke schuldsaneringsregeling toe en heft de faillissementen op.

Uitspraak

arrest
________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team II
zaaknummer : 200.137.595/01
rekestnummers rechtbank Noord-Holland : C/15/13/175F en C/15/13/176F
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 januari 2014
in de zaak van:
[appellant] en [appellante],
beiden wonend te [woonplaats],
advocaat:
mr. .J.P. van Vulpente [vestigingsplaats].

1.Het geding in hoger beroep

Verzoekers worden hierna [appellanten] en ieder afzonderlijk [appellant] en [appellante] genoemd.
[appellanten] zijn bij op 25 november 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 november 2013, waarbij hun verzoeken tot opheffing van hun faillissementen onder het gelijktijdig van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling zijn afgewezen.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 14 januari 2014. Bij die behandeling zijn [appellanten] verschenen, bijgestaan door mr. Van Vulpen voornoemd, die het verzoekschrift mondeling heeft toegelicht. Daarnaast is de curator, [X.], verschenen die zijn standpunt kenbaar heeft gemaakt aan de hand van een aan het hof overgelegd verslag en door middel van beantwoording van door het hof gestelde vragen.
Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift, van het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, alsmede het verslag van de curator. [appellanten] hebben verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.

2.Beoordeling

2.1.
De rechtbank Noord-Holland heeft in haar vonnis van 19 november 2013 het verzoek van [appellanten] om de faillissementen op te heffen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, daar [appellanten] na het uitspreken van de faillissementen nieuwe schulden hebben laten ontstaan en onvoldoende medewerking hebben verleend aan een adequate afwikkeling van de faillissementen.
2.2.
[appellanten] hebben hiertegen in hoger beroep – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. [appellanten] hebben aangegeven dat hun grootste schuld is ontstaan doordat zij hun baan zijn kwijtgeraakt en hun echtelijke woning noodgedwongen met groot verlies hebben moeten verkopen. [appellanten] hadden geen andere optie dan het aanvragen van hun eigen faillissement. Na de aanvraag van de faillissementen zijn de bankrekeningen van [appellanten] geblokkeerd. Na ongeveer een maand werd de rekening van[appellante] vrijgegeven en enige tijd daarna kon ook [appellant] vrijelijk over zijn bankrekening beschikken. De rekening van [appellant] vertoonde tijdens de aanvraag van het faillissement evenwel een roodstand. De bank verrekende haar vordering op [appellant] met terugwerkende kracht met de gelden die op de rekening werden ontvangen waardoor [appellant] rood bleef staan. Daardoor kon een aantal rekeningen, zoals zorgkosten en een begrafenisverzekering, niet betaald worden. [appellanten] betwisten dat zij bij het ontstaan van deze schulden niet te goeder trouw zijn geweest en hebben met betrekking tot deze schulden afbetalingsregelingen getroffen. [appellanten] hebben verder aangegeven dat het niet juist is dat zij niet hebben voldaan aan hun informatieverplichting. Meermalen hebben [appellanten] zich bij de curator gemeld, maar deze was vaak afwezig. Ten slotte hebben [appellanten] aangegeven uiterst gemotiveerd te zijn om uit deze benarde situatie te geraken. [appellanten] begrijpen dat het doorlopen van de wettelijke schuldsaneringsregeling voor hen zwaar zal worden, maar zij zullen er alles aan doen om een en ander tot een goed einde te brengen.
2.3.
Ter zitting in hoger beroep heeft de curator in aanvulling op zijn verslag het volgende naar voren gebracht. De nieuwe schulden die zijn ontstaan na de aanvraag van de faillissementen zijn van geringe omvang. Door [appellanten] zijn afbetalingsregelingen getroffen met betrekking tot deze schulden. Het nakomen van de informatieverplichting is na de zitting van de rechtbank Noord‑Holland van 5 november 2013 aanzienlijk verbeterd. Na de zitting van de rechtbank zijn [appellanten] eens in de twee á drie weken bij de curator langsgeweest. De curator heeft verklaard niet afwijzend te staan tegenover toelating van [appellanten] tot de schuldsaneringsregeling. De curator refereert zich aan het oordeel van het Hof.
2.4.
Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Faillissementswet (Fw) vloeit voort dat een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling alleen wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Naar het oordeel van het hof zijn [appellanten] daarin geslaagd. Ten aanzien van de schulden die zijn ontstaan voor de aanvraag hun faillissementen is aannemelijk geworden dat [appellanten] te goeder trouw zijn geweest. Met betrekking tot de nieuwe schulden, ontstaan na de aanvraag van de faillissementen, is in hoger beroep genoegzaam gebleken dat door blokkering van de bankrekeningen bepaalde rekeningen niet konden worden voldaan. Voorts is gebleken dat voor de ten gevolge van die blokkering ontstane schulden inmiddels betalingsregelingen zijn getroffen. Deze omstandigheden brengen het hof thans tot het oordeel dat de nieuwe schulden, ontstaan na het uitspreken van de faillissementen, niet langer aan [appellanten] worden tegengeworpen bij de beoordeling van de onderhavige verzoeken.
2.5.
Nu de curator in hoger beroep heeft verklaard dat [appellanten] inmiddels aanzienlijk beter aan hun informatieverplichting voldoen en dat zij zich gemotiveerd hebben getoond aan alle verplichtingen voortvloeiend uit de wettelijke schuldsaneringsregeling te voldoen, heeft het hof er voldoende vertrouwen in dat [appellanten] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen. Het Hof heeft hierbij ten voordele van [appellanten] meegewogen dat zij ter zitting in hoger beroep hebben verklaard gemotiveerd en bereid te zijn om (wanneer zij daartoe geschikt worden geacht) actief te zoeken naar een betaalde dienstbetrekking en te verhuizen teneinde lagere woonlasten te verkrijgen.
2.6.
Gelet op het hierboven overwogene zal het hof de beslissing van de rechtbank vernietigen en de onderhavige verzoeken van [appellanten] alsnog toewijzen.

3.Beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis waarvan beroep;
- verklaart alsnog op [appellanten] de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing onder opheffing van hun op 19 maart 2013 uitgesproken faillissementen;
- verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Holland om te worden voortgezet met inachtneming van het in dit arrest overwogene.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, F.J.P.M. Haas en G.H. Lankhorst en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.