ECLI:NL:GHAMS:2014:3186
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging tussentijdse beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling wegens niet opgegeven UWV-schuld
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland dat zijn wettelijke schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigde. Hij voerde aan dat hij niet op de hoogte was van de schuld aan het UWV en dat deze schuld te goeder trouw was ontstaan. Tevens stelde hij dat de omstandigheden waaronder de schulden zijn ontstaan nu onder controle zijn.
De bewindvoerder stelde dat appellant bekend had moeten zijn met de terugvordering van het UWV en dat hij jaarlijks formulieren ontving waarin stond dat inkomsten moesten worden doorgegeven. De schuld aan het UWV was niet vermeld bij het verzoekschrift en appellant had ontkennend geantwoord op vragen hierover tijdens de toelatingszitting.
Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was, mede gezien eerdere boetes en zijn opleidingsniveau. De schuld was bij de rechtbank niet bekend en het niet melden hiervan was voor rekening en risico van appellant. Indien de rechtbank hiervan op de hoogte was geweest, zou het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zijn afgewezen.
Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank en bevestigde de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens het niet melden van een bestaande schuld aan het UWV.