Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Het oordeel van de rechtbank
Hierbij worden ingevolge artikel 6.27, van de Wet IB 2001, als scholingsuitgaven aangemerkt:
uitgavenis aan te merken.
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende volgde in 2008 een postacademische opleiding en nam daarvoor 20 vakantiedagen verlof op. In zijn belastingaangifte claimde hij een bedrag van €15.645 aan scholingsuitgaven, waaronder een berekend bedrag van €6.595 voor de opgenomen verlofuren tegen zijn bruto-uurloon.
De inspecteur weigerde aftrek van dit bedrag en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Het geschil betrof de vraag of het verschil tussen het feitelijk ontvangen salaris en het salaris dat belanghebbende zou hebben ontvangen als hij de verlofuren had laten uitbetalen, als scholingsuitgaven kon worden aangemerkt.
Het hof overwoog dat het opnemen van verlofuren niet leidt tot een vermindering van het vermogen, omdat het recht op verlof eerst genoten moet worden om als waarde te gelden. Het verschil in salaris is geen uitgave, maar een niet-genoten bedrag en kan daarom niet als scholingsuitgave worden afgetrokken.
Het hof sloot aan bij een eerdere uitspraak van de Hoge Raad uit 1998, waarin een vergelijkbare situatie werd beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat het verschil in salaris door opgenomen verlofuren niet als scholingsuitgaven aftrekbaar is.