ECLI:NL:GHAMS:2014:4238
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid bank voor waardedaling effecten na executoriaal beslag en kennisgeving opheffing
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de bank aansprakelijk was voor de waardedaling van effecten op een effectenrekening gedurende de periode tussen de opheffing van een executoriaal beslag en de ontvangst van de kennisgeving daarvan door de cliënt. De cliënt, appellant, stelde dat de bank haar zorgplicht had geschonden door hem niet tijdig te informeren, waardoor hij zijn effecten niet kon verkopen en schade leed.
De feiten waren niet in geschil: op 21 december 2007 werd executoriaal beslag gelegd op de effectenrekening van appellant. De bank informeerde appellant hierover per brief. Op 3 januari 2008 betaalde appellant zijn schuld aan de deurwaarder, die de bank dezelfde dag per fax informeerde dat het beslag opgeheven kon worden. De bank stuurde appellant een brief over de opheffing, die hij pas op 7 januari ontving. In de tussentijd daalden de koersen van zijn effecten.
Het hof oordeelde dat de bank geen wettelijke informatieplicht had, maar wel de blokkering spoedig moest opheffen, wat zij ook deed op 3 januari. Appellant had via de deurwaarder al op die dag kennis van de opheffing en kon dus zelf initiatieven nemen om effecten te verkopen. De bank had geen bijzondere zorgplicht om appellant eerder te informeren. Ook een vermeende afspraak dat appellant telefonisch geïnformeerd zou worden werd niet aangenomen, mede omdat dit een nieuw standpunt was dat te laat werd ingebracht. Er was geen causaal verband tussen het handelen van de bank en de schade van appellant. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering van appellant af wegens ontbreken van aansprakelijkheid van de bank.