Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
heeft opgedragen aan de aannemer([X]; hof)
, die deze opdracht heeft aanvaard, de volgende werkzaamheden:
- uurloon € 31,75 per uur bouwplaatsmedewerker Bouwbedrijf [X]
- uurloon € 38,50 per uur medewerker machinale Bouwbedrijf [X]
- uurloon € 36,00 per uur uitvoerder Bouwbedrijf [X]
De verschuldigde BTW is voor rekening van de opdrachtgever.
1. De bouwdirectie (…) wordt namens de opdrachtgever gevoerd door [Y] Restauratie en Architectuur.
grief 1betoogt [appellant] allereerst dat de rechtbank in overweging 4.6 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat partijen geen vaste prijs van € 230.000,= zijn overeengekomen. Volgens [appellant] is dat wel het geval.
, geen € 230.000 maar € 555.880,76 exclusief btw. Het bedrag van € 230.000 was kennelijk het maximale budget dat [appellant] voorafgaand aan de verbouw voor ogen stond. De overige stellingen van [appellant] omtrent de omstandigheden van het geval vormen, indien daarvan al moet worden uitgegaan, in het licht van de zogenaamde Haviltex-maatstaf geen aanleiding voor een andere uitleg van de bedoeling van partijen.”
aanneemsomvan € 230.000,= spreekt, is, mede in het licht van haar overige stellingen in dit geding, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
“bijwerk”wordt gefactureerd. Hieruit blijkt, aldus [appellant], dat partijen een vaste prijs zijn over-eengekomen. Wat er zij van de vraag of, zoals [X] stelt en [appellant] betwist, de begrippen
bijwerken
meerwerksynoniemen zijn, [X] heeft met het gebruik van de term
bijwerkin de onderhavige factuur kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de onder die noemer in rekening gebrachte werkzaamheden (volgens die factuur verricht aan paardenstal, buitenterras, carport en hondenverblijf) niet waren omschreven in de kostenraming en (dus ook) niet in de overeenkomst waren benoemd. Omdat dit juist is, kan het feit dat [X] die werkzaamheden in de genoemde factuur als
bijwerkheeft omschreven – wat er verder zij van die factuur en de daarin neergelegde omschrijving - niet leiden tot het oordeel dat partijen een vaste prijs van € 230.000,= zijn overeengeko-men, zeker niet als daarbij wordt betrokken wat het hof onder 3.2.4 heeft overwogen.
heeft (…) gedeeld".
Er is geen sprake van meerwerk”onbesproken blijven. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt ten slotte niet in te zien waarom het oordeel dat geen vaste prijs is overeengekomen strijdig zou zijn met de artikelen 7:752 en 7:753 BW.
“Raming d.d. 28 maart 2002 € 230.000,- excl. BTW”beoogt zij niet het bedrag van € 230.000,= als richtprijs in de zin van art. 7:752 BW Pro aan te merken, maar verwijst zij slechts naar de kostenraming als uitgangspunt voor de te verrichten werkzaamheden ten belope van het maximale budget van € 230.000,=.
grieven 2 en 3bespreken. Deze houden, kort gezegd, in dat de rechtbank (in de overwegingen 4.11 en 4.12 van het bestreden vonnis) ten onrechte heeft geoordeeld dat [X] de aan [appellant] in rekening gebrachte kosten – (man)uren, materialen, facturen van onderaannemers en leveranciers – daadwerkelijk ten behoeve van de werkzaamheden aan de woning heeft gemaakt.
grief 4, die is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat in conventie in hoofdsom een bedrag van € 279.475,07 toewijsbaar is, zelfstandige betekenis, reden waarom deze grief onbesproken kan blijven.
grief 7komt [appellant] op tegen de motivering door de rechtbank (in overweging 4.20 van het bestreden vonnis) van de afwijzing van zijn reconventionele vordering in verband met de onder 3.1 (e) vermelde conservatoire derdenbeslagen. De rechtbank heeft de vordering afgewezen op de grond dat [appellant]
“onvoldoende aannemelijk(heeft)
gemaakt dat hij door de conservatoire beslaglegging schade heeft geleden, zodat er geen reden is hem naar de schadestaatprocedure te verwijzen”.
grief 8, gericht tegen de kostenveroordeling van [appellant] in reconventie, geen doel treft. [appellant] is immers in zoverre de in het ongelijk gestelde partij.