Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De verloop van het geding
2.Feiten
Begripsomschrijvingen
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een geschil tussen [appellant] en Achmea over de vrije keuze van een advocaat in de bezwaarprocedure tegen een afwijzend besluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) inzake een AWBZ-indicatie.
[appellant] heeft een rechtsbijstandverzekering bij Achmea en wenste zelf een advocaat te kiezen voor de bezwaarprocedure bij het CIZ. Achmea weigerde de kosten hiervan te vergoeden. Het hof oordeelde dat de vraag of de bezwaarprocedure bij het CIZ kwalificeert als een 'administratieve procedure' in de zin van art. 4:67 Wft Pro en Richtlijn 87/344/EEG, essentieel is voor het recht op vrije advocaatkeuze.
Het hof heeft daarom prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU, aansluitend bij eerdere jurisprudentie, met name het arrest Sneller/DAS (HvJEU 7 november 2013). Het hof benadrukt dat de bezwaarprocedure een formele bestuursrechtelijke procedure is waarop de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing is, en dat het begrip 'administratieve procedure' niet beperkt is tot procedures bij de rechter. De procedure wordt geschorst totdat het HvJEU uitspraak doet.
De uitspraak is gewezen door de meervoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam op 23 december 2014.
Uitkomst: Het hof verzoekt het HvJEU om prejudiciële uitleg over de kwalificatie van de bezwaarprocedure bij het CIZ als administratieve procedure en schorst het geding.