Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.De beoordeling
de grieven in het principale appelniet kunnen slagen.
grief 2 in het incidentele appelslaagt.
Gerechtshof Amsterdam
Appellant, die jarenlang samen met geïntimeerde een winkel exploiteerde, werd per 31 maart 2013 ontslagen door geïntimeerde, die de winkel voortzette als eenmanszaak. Appellant vorderde in eerste aanleg een verklaring voor recht dat het ontslag kennelijk onredelijk was en een schadevergoeding van €97.200,=, wat werd afgewezen door de kantonrechter.
In hoger beroep stelde appellant dat het ontslag was gegeven onder een valse of voorgewende reden en dat de gevolgen van het ontslag zwaar voor hem wogen. Het hof oordeelde dat de arbeidsverhouding eind 2012 ernstig verstoord was, grotendeels aan appellant te wijten, en dat de opgegeven reden voor het ontslag niet vals was. Ook het gevolgencriterium leidde niet tot kennelijke onredelijkheid, mede omdat appellant een AOW-uitkering en pensioen had en zijn salaris tot het ontslag volledig werd doorbetaald.
Het hof verwierp het bewijsaanbod van appellant als onvoldoende gespecificeerd en niet ter zake dienend. Het principale appel faalde, terwijl het incidentele appel van geïntimeerde slaagde, waardoor het vonnis werd vernietigd voor zover de proceskosten waren gecompenseerd en appellant werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van alle instanties.
De proceskosten werden begroot op respectievelijk nihil aan verschotten en €400 aan salaris gemachtigde in eerste aanleg, €704 aan verschotten en €2.682 aan salaris advocaat in het principale appel, en nihil aan verschotten en €1.341 aan salaris advocaat in het incidentele appel. Het arrest werd op 7 april 2015 uitgesproken.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was en veroordeelt appellant in de proceskosten van alle instanties.