ECLI:NL:GHAMS:2015:843

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2015
Publicatiedatum
12 maart 2015
Zaaknummer
200.165.232-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenarrest over comparitie en processtukken in hoger beroep civiele zaak

In deze civiele hogerberoepszaak tussen de gemeente Amsterdam en een besloten vennootschap heeft het Gerechtshof Amsterdam een tussenarrest gewezen op 10 maart 2015. Appellante, de gemeente Amsterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen eerdere vonnissen en de zaak is op de rol ingeschreven.

Het hof heeft besloten een comparitie van partijen te gelasten. Deze comparitie dient om inlichtingen te verkrijgen, een minnelijke regeling te beproeven en het verdere verloop van het hoger beroep te bespreken, waaronder mediation, bewijsvoering en deskundigenrapportage.

Partijen worden verplicht in persoon of via een bevoegd vertegenwoordiger te verschijnen, samen met hun advocaten, voor de raadsheer-commissaris mr. J.C. Toorman. Tevens is een termijn gesteld voor het opgeven van verhinderdagen en het indienen van processtukken. Alle verdere beslissingen zijn aangehouden tot na deze comparitie.

Uitkomst: Het hof gelast een comparitie van partijen en houdt verdere beslissingen aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.165.232/01
zaaknummer rechtbank : 1377082 CV EXPL 12-27402
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 maart 2015
inzake
GEMEENTE AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat:
mr. H.C. Bollekampte Amsterdam,
tegen
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat:
mr. B. Coskunte Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Appellante heeft bij exploot geïntimeerde aangezegd in hoger beroep te komen van een of meer tussen partijen in de onderhavige zaak gewezen vonnissen, met dagvaarding van geïntimeerde voor dit hof.
De zaak is op de rol ingeschreven en geïntimeerde is bij advocaat verschenen.

2.Beoordeling

Het hof ziet aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten. Het doel is het verkrijgen van inlichtingen, het beproeven van een minnelijke regeling en/of het bespreken van het verdere verloop van het hoger beroep, waarbij onder meer mediation, bewijsvoering en/of rapportage door deskundigen aan de orde kunnen komen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.Beslissing

Het hof:
bepaalt dat partijen in persoon respectievelijk, voor zover partijen rechtspersoon zijn, vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en die bevoegd is (door schriftelijke machtiging of anderszins) tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor het tot raadsheercommissaris benoemde lid van het hof mr. J.C.Toorman, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam, op een nader te bepalen tijdstip, tot het hiervoor onder 2 omschreven doel;
bepaalt dat partijen binnen 1 week na heden op de rol van 17 maart 2015 hun verhinderdagen en die van hun advocaten voor de eerstkomende 4 maanden kunnen opgeven, waarna het hof de dag en het tijdstip van de comparitie zal vaststellen, in welk geval behoudens klemmende redenen of overmacht geen uitstel van de comparitie meer zal worden verleend;
bepaalt dat appellante
uiterlijk 4 wekenna heden een kopie van het volledige procesdossier (de stukken van de eerste aanleg met inbegrip van de producties en de appeldagvaarding) in viervoud zal indienen bij het hof (roladministratie – team handel);
bepaalt dat partijen
uiterlijk 2 weken vóór de dag van de comparitiede stukken waarop zij voor het overige een beroep zouden willen doen, in kopie over zullen leggen door toezending aan het hof (roladministratie – team handel) en de wederpartij;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, C.C. Meijer en J.W. Hoekzema en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.