Belanghebbende was in 2013 in dienst bij een werkgever die hem in dat jaar twee auto’s ter beschikking stelde: een Mercedes en later een elektrisch aangedreven Opel Ampera. Voor de Mercedes werd een verklaring geen privégebruik auto afgegeven, maar deze werd door de inspecteur ingetrokken. De inspecteur legde een naheffingsaanslag loonheffingen op over de periode dat de Mercedes beschikbaar was.
Belanghebbende voerde aan dat hij de Mercedes niet privé gebruikte en dat de Opel vanwege de lage CO2-uitstoot een bijtelling van nihil had, waardoor de naheffing onterecht was. Het hof oordeelde dat bijtelling tijdsevenredig moet worden berekend over alle ter beschikking gestelde auto’s, tenzij gezamenlijk niet meer dan 500 kilometer privé is gereden. Dit laatste was niet overtuigend aangetoond.
Het hof verwierp het beroep van belanghebbende, onder meer omdat het niet relevant is dat de Opel een bijtelling van nihil kent en omdat het ontbreken van kennis over de naheffing en vertrouwen op derden niet tot een ander oordeel leidt. De intrekking van de verklaring en de naheffingsaanslag zijn terecht. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.