Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.3. Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
Beoordeling van het geschil
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende, een onderneming, ontving een uitnodiging tot betaling (UTB) voor douanerechten en omzetbelasting. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar ongegrond verklaarde, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen de navordering van een hoger bedrag.
De kern van het geschil betrof de vraag of de navordering in strijd was met het verbod op reformatio in peius, dat inhoudt dat een bezwaarmaker niet in een nadeliger positie mag komen door het instellen van bezwaar. Het hof overwoog dat de navordering van douanerechten uitsluitend wordt beheerst door Unierecht en dat het verbod op reformatio in peius niet als zelfstandige beroepsgrond kan slagen tegen navordering.
Verder stelde het hof vast dat de eerdere UTB en boetebeschikking onherroepelijk vaststaan en dat de navordering een nieuw besluit betreft. De inspecteur heeft het recht en de plicht om navordering toe te passen bij een te laag vastgesteld belastingbedrag. Er is geen sprake van verslechtering van de positie van belanghebbende door het bezwaar, zodat geen schending van het verbod op reformatio in peius is.
Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen veroordeling in kosten opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam op 14 juni 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de navordering bevestigd.