Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
‘Door bovengenoemde onrechtmatige afwezigheid dien je deze brief te beschouwen als schriftelijke waarschuwing’.
‘Q-Park kan omwille van het advies van de bedrijfsarts jouw verlof niet goedkeuren en jij wordt geacht het re-integratie traject te volgen zoals reeds uitgestippeld door de bedrijfsarts’.
3.Beoordeling
Aangezien Q-Park jou geen toestemming verleent om verlof op te nemen vanwege een negatieve advies van de bedrijfsarts op jouw reisplannen zien wij geen andere mogelijkheid dan jouw oorspronkelijke re-integratie dag van 15 juli te laten staan”. Hoewel kan worden gezegd dat Q-Park een goede reden had om [geïntimeerde] de toestemming om op vakantie te gaan te onthouden – zij werd daarin gesteund door de Arboarts – is het aldus handelen van Q-Park waarmee als het ware een ongeoorloofde afwezigheid werd geconstrueerd als oneigenlijk aan te merken. De afwezigheid op 15 juli 2015, hoewel nadrukkelijk benoemd als een reden voor een ontslag op staande voet (“de druppel die de emmer doet overlopen”), dient onder deze omstandigheden daarom geen of nauwelijks gewicht in de schaal te leggen. De grief in incidenteel appel dat [geïntimeerde] vanwege zijn afwezigheid op 15 juli 2105 is ontslagen en dat dus uitsluitend met die omstandigheid rekening mag worden gehouden snijdt gezien de inhoud van de brief van 15 juli 2105 geen hout. Resteert de niet toegestane vakantie in New York. Die enkele omstandigheid, hoewel alleszins verwijtwaar waarover hierna meer, vormt naar het oordeel van het hof niet een voldoende grond om aan te nemen dat hier sprake was van een dringende reden die een ontslag op staande voet kon rechtvaardigen, mede ook gezien de ernst van de (financiële) gevolgen die een dergelijk ontslag voor een werknemer met zich pleegt te brengen. Met name is daarbij van belang dat het hier een schending van een re-integratieverplichting betreft, meer in het bijzonder als bedoeld in artikel 7:660a aanhef en onder a BW. Uitgangspunt daarbij is dat aan de werkgever daarbij in beginsel andere sanctiemiddelen ten dienste staan zoals het niet betalen van loon zoals bepaald in artikel 7:629 lid 3 onder Pro b BW. Op de mogelijkheid van deze sanctie is ook uitdrukkelijk door de wetgever gewezen. Zie hiertoe de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 24 439 pagina 60, waarin staat opgenomen: