Conclusie
2.Procesverloop
primairtot voorwaardelijke ontbinding en
subsidiairtot (onvoorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
(a) Kan een werkgever onder de Wet werk en zekerheid in een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding worden ontvangen?
3.Achtergrond
Nijman), ECLI:NL:HR:1983:AG4670, NJ 1984/296 m.nt. PAS, oordeelde de Hoge Raad dat de werkgever na een gegeven ontslag op staande voet een gerechtvaardigd belang heeft bij het vragen van een voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval dat de arbeidsovereenkomst niet door het aan de werknemer gegeven ontslag op staande voet blijkt te zijn geëindigd. De Hoge Raad heeft dit in de
Nijman-beschikking als volgt gemotiveerd:
De Bode/De Hollandsche IJssel), ECLI:NL:HR:1997:ZC2417, NJ 1998/421 m.nt. PAS, heeft de Hoge Raad het karakter van een na een gegeven ontslag op staande voet uitgesproken voorwaardelijke ontbinding - de ontbinding
“voor zover rechtens vereist”- verduidelijkt:
w(oud) - thans art. 7:685 -, welke procedure immers is gericht op het verkrijgen van een spoedige beslissing omtrent het beëindigen van de arbeidsovereenkomst (vgl. HR 21 oktober 1983, NJ 1984, 296).
an sichniet uitsluit [25] :
Daarop anticiperend zou de werkgever, om dit te voorkomen, naast toestemming van het UWV ook nog een voorwaardelijke ontbinding van de kantonrechter kunnen verzoeken voor het geval hij zich vergist heeft in de benadering van de juiste instantie. [27]
Het wetsvoorstel laat de mogelijkheid van de gelijktijdige indiening van een ontbindingsverzoek onverlet maar gezien de nieuwe structuur is dat geen logische keuze. Het ligt meer voor de hand dat een werkgever beoordeelt welke grond (als er eventueel meer gronden in aanmerking komen) de meeste kans van slagen heeft. Mocht hij toch voor twee ankers willen liggen dan zal hij twee procedures kunnen starten op verschillende gronden, zowel bij de rechter als bij UWV.Afhankelijk van de snelheid (en de uitkomst) van de beide procedures zal dan de arbeidsovereenkomst ofwel opzegbaar zijn ofwel worden ontbonden door de rechter.
“te komen tot een eenduidig en eenvoudiger ontslagrecht dat bijdraagt aan het bevorderen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid.” [33] .
“(i)n bijzondere omstandigheden”geldt [34] :
(“Standpunten in de jurisprudentie en literatuur”) - onder 5 (“
Evaluatie”) aan de orde of een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder de Wwz toelaatbaar moet worden geacht. Onder 6
(“Beantwoording prejudiciële vragen”) worden antwoorden op de gestelde prejudiciële vragen voorgesteld, waarna onder 7 (
“Conclusie”) de slotconclusie volgt.
4.Standpunten in de jurisprudentie en literatuur
onvoorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst (die van de voorwaardelijke ontbinding dient te worden onderscheiden) [46] ; zie ook hiervóór (onder 3.17).
ARBACapril 2015). (…)”
Nijman-beschikking niet meer als onderbouwing voor de aanvaardbaarheid van een voorwaardelijke ontbinding in het nieuwe systeem kan dienen, (ii) dat de buitengerechtelijke vernietiging onder de Wwz niet meer bestaat, waardoor er tot het moment dat de rechter de vernietiging uitspreekt ook niets valt te ontbinden en er ook geen onzekerheid is of het dienstverband wel is geëindigd, (iii) dat de Wwz al in een eigen veiligheidsklep voorziet, te weten art. 7:683 lid 3 BW Pro en
last but not least(iv) dat de voorwaardelijke ontbinding niet goed valt te rijmen met twee van de belangrijkste pijlers van de Wwz: vereenvoudiging en dejuridisering van het ontslagrecht. Volgens de schrijvers past bij die vereenvoudiging en dejuridisering
“minder goed de aanvaarding van een rechtsfiguur die ertoe kan leiden dat er naast elkaar twee ontslagprocedures - één over het ontslag zelf en één over de voorwaardelijke ontbinding - gaan lopen, die beide tot aan de Hoge Raad en terug kunnen worden gevoerd en die over en weer tot allerlei complicaties kunnen leiden. Dat zou voor de Hoge Raad nog wel eens een belangrijk argument kunnen worden om de voorwaardelijke ontbinding onder de Wwz af te wijzen.”
Conclusie
onvoorwaardelijke ontbinding gaan.
“De afsluitende opmerking in de MvT bij de algemene bespreking van het ontslag op staande voet, ‘dat als een werkgever of werknemer twijfelt of er voldoende reden is voor een ontslag op staande voet, hij de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden’, kan in dit kader als een onbedoeld advies worden gezien.” [84]
5.Evaluatie
“de mogelijkheid van de gelijktijdige indiening van een ontbindingsverzoek onverlet (laat)”en heeft zij het ook mogelijk geacht dat de werkgever,
“(m)ocht hij toch voor twee ankers willen liggen (…) twee procedures zal kunnen starten op verschillende gronden (…)” [91] , hoezeer het ook in haar visie
“(…) meer voor de hand (ligt) dat een werkgever beoordeelt welke grond (als er eventueel meer gronden in aanmerking komen) de meeste kans van slagen heeft”. Dat, zoals mr. Sagel in zijn schriftelijke opmerkingen onder 104 betoogt, een werkgever die eerst zonder succes voor ontslag op staande voet heeft gekozen, niet op grond van dezelfde feiten en omstandigheden als die welke hij aan het ontslag ten grondslag had gelegd, ontbinding kan verzoeken, kan ik dan ook niet volgen. Zoals hiervóór (onder 3.10) al aan de orde kwam, kan een dergelijke uitsluiting van ontbinding na een ontslag op staande voet in elk geval niet worden gebaseerd op de (op zichzelf correcte) opmerking in de memorie van toelichting dat,
“(o)ok wanneer het gaat om situaties die een dringende reden zouden opleveren en dus ook een ontslag op staande voet zouden rechtvaardigen, maar de werkgever niet voor die route kiest, (…) de werkgever de rechter (kan) verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden” [92] . Uit die opmerking blijkt allerminst dat in het omgekeerde geval, waarin de werkgever wél voor de route van een ontslag op staande voet kiest, de route van ontbinding op grond van (goeddeels) dezelfde feiten en omstandigheden als die welke aan het ontslag op staande voet ten grondslag waren gelegd, vervolgens niet meer zou openstaan.
Nijman-beschikking [93] . In het debat over de toelaatbaarheid van de voorwaardelijke ontbinding onder de Wwz speelt die beschikking een niet onbelangrijke rol. Degenen die een voorwaardelijke ontbinding onder de Wwz niet toelaatbaar achten, plegen erop te wijzen dat onder de Wwz niet langer aan de in die beschikking geformuleerde voorwaarden wordt voldaan.
Nijman-beschikking niet zozeer heeft bedoeld specifieke voorwaarden aan de toelaatbaarheid van een voorwaardelijke ontbinding te stellen, als wel ervan lijkt te zijn uitgegaan dat een voorwaardelijke ontbinding in principe toelaatbaar is, zoals dat in het algemeen voor een voorwaardelijke veroordeling of voorziening geldt [94] . In zijn noot onder het arrest
Theelen/Schatorje, welk arrest een zwarighedenprocedure betrof, merkte Heemskerk, met verdere verwijzingen, op [95] :
Nijman-beschikking heeft de Hoge Raad uiteindelijk beslissend geacht dat de werkgever in het algemeen een gerechtvaardigd belang erbij heeft voorwaardelijk ontbinding van de arbeidsovereenkomst te vragen voor het geval de arbeidsovereenkomst niet door het aan de werknemer op staande voet gegeven ontslag blijkt te zijn geëindigd. Bij die stand van zaken geldt volgens de Hoge Raad dat
“(g)een rechtsregel (zich) (…) tegen een dergelijke gang van zaken (verzet)”.
“(d)us niet: waarom mag het wel? Maar: waarom mag het niet? [98] . Reeds om die reden meen ik dat aan het argument dat de Wwz een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding niet uitdrukkelijk verbiedt, méér betekenis toekomt dan aan het argument dat de Wwz een verzoek tot een dergelijke ontbinding niet uitdrukkelijk toelaat, welk argument wel aan het (mijns inziens ten onrechte) veronderstelde uitputtende karakter van de Wwz wordt ontleend [99] .
Nijman-beschikking volgens welke
“(g)een rechtsregel (zich) (…) tegen een dergelijke gang van zaken (verzet)”, heeft de Hoge Raad laten volgen:
Nijman-beschikking mogelijk voor ogen stond. Ook dat acht ik echter geen beslissend argument om de werkgever een voldoende en gerechtvaardigd belang bij een voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst te ontzeggen voor het geval dat het ontslag op staande voet geen stand houdt. Nog daargelaten dat ook onder de Wwz een lange duur van de vernietigingsprocedure niet is uitgesloten en mogelijk is dat zowel de vernietigingsprocedure als de ontbindingsprocedure in méér instanties wordt gevoerd, is met de door de Wwz teweeggebrachte versnelling van het rechterlijk oordeel over de opzegging geenszins gewaarborgd dat dit oordeel sneller zal kunnen worden geveld dan dat over een (voorwaardelijke) ontbinding. De werkgever behoudt daarom een gerechtvaardigd belang bij zijn verzoek, al was het maar met het oog op het zoveel mogelijk veiligstellen van een zo vroeg mogelijke ontbindingsdatum.
Nijman-beschikking tegen een voorwaardelijke ontbinding zou verzetten. De wetgever zou immers - met het oog op de vereenvoudiging van het ontslagrecht - hebben willen bewerkstelligen dat alle (samenhangende) geschilpunten ten aanzien van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in één procedure worden beslecht. Dit onder andere om een dubbele rechtsgang te voorkomen (zie hiervoor onder 3.11). Het voorwaardelijk ontbinden van de arbeidsovereenkomst zou niet goed in dit systeem passen. In het bijzonder zou een voorwaardelijke ontbinding tot twee separate procedures over het ontslag kunnen leiden, te weten één over de opzegging en één over de voorwaardelijke ontbinding, hetgeen complexe samenloopproblemen en tegenstrijdige uitspraken met zich zou kunnen brengen [101] , zulks terwijl met de Wwz nu juist zou zijn beoogd zulks te voorkomen en het ontslagrecht te vereenvoudigen.
onvoorwaardelijkte ontbinden in het geval dat het verzoek van de werknemer wordt gehonoreerd. Als zowel het verzoek van de werknemer als het verzoek van de werkgever wordt toegewezen, zal dat eveneens tot separate en bij verschillende (appel)instanties te voeren procedures over de opzegging en de ontbinding kunnen leiden. Bij die stand van zaken valt niet in te zien waarom de mogelijkheid van twee separate procedures over het ontslag (één over de opzegging, de andere over de ontbinding) zich juist tegen de figuur van de
voorwaardelijkeontbinding zou verzetten. Samenloopproblemen als gevolg van separate procedures zijn weliswaar niet uitgesloten, maar zullen zich noch in verband met verzoeken tot
onvoorwaardelijkeontbinding, noch in verband met verzoeken tot
voorwaardelijkeontbinding structureel voordoen. Zo zal van uiteenlopende procedures voor verschillende bevoegde (appel)instanties geen sprake zijn, als de werkgever bij wege van
tegenverzoekal dan niet voorwaardelijke ontbinding vraagt. Bovendien biedt het burgerlijk procesrecht, voor zover zich al samenloopproblemen kunnen voordoen, daarop gerichte voorzieningen, zoals voeging en verwijzing [102] . Ten slotte geldt dat, voor zover al sprake is van separate procedures, partijen zelf kunnen bewerkstelligen dat de rechter in elk van die procedures zodanig is geïnformeerd, dat hij althans met volledige wetenschap van hetgeen in de andere procedure voorvalt, zal kunnen oordelen.
onvoorwaardelijkeontbinding, die mogelijk is zodra vernietiging in prima heeft plaatsgevonden, aan een aantal randvoorwaarden te onderwerpen (schriftelijke opmerkingen onder 93). Meer in het bijzonder heeft hij als oplossingsrichting gesuggereerd dat een op een vernietiging in prima volgend ontbindingsverzoek slechts toewijsbaar is, wanneer vaststaat dat die in prima uitgesproken vernietiging in hoger beroep niet (langer) wordt bestreden (schriftelijke opmerkingen onder 106). Met deze opvatting (die ook een voorwaardelijk (tegen)verzoek tot
onvoorwaardelijkeontbinding voor het geval dat de kantonrechter de opzegging vernietigt, lijkt uit te sluiten) kan ik mij niet verenigen. Ik zie niet in hoe de wens mogelijke samenloopproblemen (die volgens mr. Sagel uit een weeffout in de wet voortvloeien; zie schriftelijke opmerkingen onder 98 in fine) te voorkomen, zou kunnen rechtvaardigen dat de rechter de werkgever beknot in diens recht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te vragen en om tegen de vernietiging van de opzegging op te komen, door een ontbindingsverzoek niet toewijsbaar te achten zolang de vernietiging van de opzegging geen kracht van gewijsde heeft verkregen. Naar mijn oordeel gaat het stellen van randvoorwaarden zoals door mr. Sagel bedoeld de rechtsvormende taak van de rechter te buiten.
voorwaardelijkeontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval de kantonrechter de opzegging (het ontslag op staande voet) vernietigt, zie ik geen bezwaar. Daarbij ga ik ervan uit dat een (tegen)verzoek, voorwaardelijk, voor het geval dat de kantonrechter de opzegging zal vernietigen, maar strekkende tot een
onvoorwaardelijkeontbinding, onder de Wwz moet worden geaccepteerd (zie hiervóór onder 5.9). Er is naar mijn mening geen enkele reden waarom de werkgever niet erop zou mogen aandringen dat de kantonrechter eerder over de ontbinding dan over de opzegging zal beslissen (en in dat geval de ontbinding
voorwaardelijkzal uitspreken voor het geval dat hij de opzegging zal vernietigen).
voorwaardelijkeontbinding, voorafgaand aan het oordeel van de kantonrechter over de opzegging, leidt tot het voeren van een
“additionele”procedure, hetgeen zou afdoen aan de door de Wwz beoogde dejuridisering. Ik kan dat bezwaar niet volgen. Van een
“additionele”procedure (waarvan in de benadering van mr. Sagel kennelijk óók sprake is als het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding bij wege van tegenverzoek wordt gedaan) is evenzeer sprake als de werkgever een
onvoorwaardelijkeontbinding vraagt, uit te spreken in het geval dat de kantonrechter de opzegging vernietigt, welke variant ik mogelijk acht (maar mr. Sagel kennelijk niet; zie hiervóór onder 5.9). Het bezwaar tegen een
“additionele”procedure mist in elk geval doel indien het verzoek wordt gedaan als
tegenverzoek, nu art. 7:686a lid 3 Wwz het in één geding concentreren van samenhangende verzoeken juist favoriseert. Het in één geding concentreren van samenhangende verzoeken lijkt mij de doelstellingen van de Wwz, in het bijzonder die van versnelling, veeleer te dienen dan daaraan af te doen, zeker als het alternatief is dat procedures achtereenvolgens moeten worden gevoerd. Dejuridisering lijkt mij al helemaal niet aan de orde, waar voor de door de Wwz toegelaten ontbinding van de arbeidsovereenkomst nu eenmaal rechterlijke tussenkomst is vereist.
coûte que coûtetegelijkertijd over het verzoek van de werknemer en dat van de werkgever moet worden beslist. Integendeel; in art. 7:686a lid 10 BW wordt juist gefaciliteerd dat een zaak in twee of meer zaken wordt gesplitst als het verzoek en daarmee verband houdende andere vorderingen zich naar het oordeel van de rechter niet voor gezamenlijke behandeling lenen. In de memorie van toelichting bij de Verzamelwet SZW 2015 (Stb. 2014, 504), waarbij de bepaling is ingevoerd, is aangegeven dat een splitsing aan de orde zou kunnen zijn, als een gezamenlijke behandeling van een ontbindingsverzoek en daarmee verband houdende vorderingen, naar het oordeel van de rechter, een onevenredige vertraging van de ontbindingsprocedure zou opleveren [105] .
“het aannemelijk is dat de werknemer aan dat verzoek verbindt zijn verzoek om de opzegging te vernietigen” [106] . Dat zou een ontoelaatbare, althans minder goed in de Wwz passende beperking van de aan de werknemer in art. 7:686a lid 4 BW gegunde termijn van twee maanden vormen, in welk verband Verhulp verwijst naar art. 7:686a lid 8 BW, dat toepassing van art. 3:55 BW Pro hier uitsluit. In laatstgenoemde bepaling gaat het erom dat aan degene aan wie een beroep op een vernietigingsgrond toekomt, een redelijke termijn kan worden gesteld waarbinnen hij,
op straffe van verval van zijn bevoegdheid om op de vernietigingsgrond een beroep te doen, tussen bevestiging en vernietiging dient te kiezen. Een snelle actie van de werkgever leidt echter niet tot een eerder verval van de bevoegdheid van de werknemer om vernietiging te vragen dan na ommekomst van de wettelijke termijn van twee maanden. Voorts zal een gang van zaken zoals bedoeld inderdaad ertoe leiden dat de werknemer enigerlei actie zal moeten ondernemen, maar ik zie niet waarom zij hem zou beletten de termijn van twee maanden ten volle te benutten voor zijn beslissing om al dan niet vernietiging van de opzegging te verzoeken. Overigens is in het geding voor de verwijzende rechter niet een aan het vernietigingsverzoek van de werknemer voorafgaand verzoek van de werkgever tot voorwaardelijke ontbinding aan de orde.
“als bijvoorbeeld de procedure in hoger beroep veel tijd in beslag neemt” [108] . Daarbij is kennelijk gedacht aan het verloop van een lange tijd over méér instanties.
“een vordering tot doorbetaling van loon die gegrond is op de vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst”) twijfel over de toepasbaarheid daarvan door de appelrechter mogelijk is. In een situatie waarin de kantonrechter de opzegging heeft vernietigd en het hof die beslissing onjuist acht en bepaalt dat de arbeidsovereenkomst eindigt, zal in appel de loonvordering over de periode tussen de vernietiging van de opzegging door de kantonrechter en het door het hof bepaalde einde van de arbeidsovereenkomst aan de orde zijn; díe loonvordering is zeker niet op de vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst gegrond [109] . Deze twijfel biedt eens te meer grond aan het belang van de werkgever bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval dat de kantonrechter de opzegging (mogelijk ten onrechte) vernietigt; met een dergelijke ontbinding neemt de loonaanspraak van de werknemer immers reeds een einde en is de werkgever niet van een door het hof te bepalen einde van de arbeidsovereenkomst (welk einde niet vóór zijn uitspraak kan zijn gelegen) afhankelijk.
“de arbeidsovereenkomst te herstellen”voortvloeit dat voor toepassing van de Wwz van identiteit van de oorspronkelijke met de herstelde arbeidsovereenkomst moet worden uitgegaan. Een herstelde overeenkomst is geen nieuwe overeenkomst. In de kennelijke visie van de wetgever is sprake van dezelfde overeenkomst, terwijl, als de rechter de werkgever opdraagt om de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigde, te herstellen, zelfs van een onderbreking van die overeenkomst geen sprake is (zie hiervóór onder 3.6, in fine). De terminologie van een al dan niet onderbroken arbeidsovereenkomst treft men overigens niet alleen aan in de Kamerstukken, maar ook in art. 7:682 lid 6 BW Pro (dat ingevolge art. 7:683 lid 4 BW Pro van overeenkomstige toepassing is als de rechter in hoger beroep of na verwijzing in cassatie een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst uitspreekt). Art. 7:682 lid 6 BW Pro bepaalt dat de kantonrechter, als hij een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst uitspreekt, voorzieningen treft omtrent de rechtsgevolgen van
“de onderbreking van de arbeidsovereenkomst”. Bij de ononderbroken arbeidsovereenkomst die de wetgever (al dan niet bij wijze van fictie) voor ogen heeft gestaan, gaat het in de benadering van de wetgever ook uitdrukkelijk om dezelfde overeenkomst. In dit verband kan worden gewezen op het huidige art. 7:672 lid Pro 9 (was tot 1 januari 2016 lid 8), waarin heel in het algemeen (ook zonder dat sprake is van terugwerkende kracht van het herstel tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigde) is bepaald dat voor de berekening van de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn zoals omschreven in lid 2, arbeidsovereenkomsten worden geacht
“eenzelfde, niet onderbroken arbeidsovereenkomst”te vormen in geval van herstel van de arbeidsovereenkomst ingevolge (onder meer) art. 7:683 BW Pro [113] .
kanhet de werkgever tot herstel van de arbeidsovereenkomst veroordelen, maar
behoefthet dat niet. Naar mijn mening is een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst niet aangewezen, als ook het hof (met de kantonrechter) aannemelijk acht dat, in het geval de onterecht gebleken opzegging achterwege zou zijn gebleven, de arbeidsovereenkomst had kunnen worden (en ook zou zijn) ontbonden, hetzij op grond van dezelfde feiten als die welke aan het onterecht gebleken ontslag op staande voet ten grondslag lagen, hetzij op grond van andere feiten. In dat geval zal, naar mag worden verwacht, het hof (zonodig ambtshalve) in plaats van een veroordeling van de werkgever tot herstel uit te spreken een billijke vergoeding aan de werknemer toekennen, ermee rekening houdend dat vanaf de datum waarop de arbeidsovereenkomst zou zijn ontbonden, geen recht op loon zou hebben bestaan [115] . Hierbij ware nog te bedenken dat bij de parlementaire behandeling van de Wwz bij herhaling is benadrukt dat de appelrechter, reeds gezien het tijdsverloop, vaak zal kiezen voor toekenning van een billijke vergoeding in plaats van een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst en dat de rechtsstrijd in de praktijk vooral zal gaan over de hoogte van de vergoeding [116] . Waar reeds het tijdsverloop de appelrechter aanleiding kan geven (zonodig ambtshalve) van een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst af te zien, ligt dat laatste in een situatie waarin aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst hoe dan ook zou zijn ontbonden, te meer in de rede.
“of”) dat het verzoek om vernietiging van de opzegging of om herstel ten onrechte is afgewezen [117] . Overigens acht ik op zichzelf wel juist dat de appelrechter, alvorens op grond van art. 7:683 lid 3 BW Pro een keuze te maken, zich ervan rekenschap dient te geven of er ruimte voor ontbinding was, althans als de werkgever zich daarop heeft beroepen.
“ja, tenzij”in plaats van het
“nee, tenzij”dat uit de wetsgeschiedenis blijkt [118] , terwijl Van der Kraats meent dat het
“muizengaatje”van de bijzondere omstandigheid zonodig (aanzienlijk) zal moeten worden opgerekt om de gewenste snelheid niet ten koste te laten gaan van waarheidsvinding en rechtsbescherming [119] .
6.Beantwoording prejudiciële vragen
“in geval van ontvankelijkheid van de werkgever in zijn verzoek tot voorwaardelijke ontbinding”) voldaan.
“in geval van ontvankelijkheid van de werkgever in zijn verzoek tot voorwaardelijke ontbinding”) voldaan.
“in geval van ontvankelijkheid van de werkgever in zijn verzoek tot voorwaardelijke ontbinding”) is voldaan.