Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
4.1. Wettelijk kader
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende diende een papieren aangifte schenkbelasting in over een schenking van ruim €37,7 miljoen. Een administratief medewerker van de Belastingdienst voerde echter per vergissing een bedrag van €37.713 in in plaats van het correcte bedrag, wat leidde tot een te lage aanslag van €3.268.
De inspecteur stelde vervolgens een navorderingsaanslag vast op basis van het juiste bedrag, wat belanghebbende betwistte. Zowel de rechtbank als het Hof oordeelden dat sprake was van een fout in de zin van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), namelijk een neutrale invoerfout die navordering rechtvaardigt.
Het Hof benadrukte dat de fout redelijkerwijs kenbaar was voor belanghebbende, mede omdat de te weinig geheven belasting meer dan 30% van de verschuldigde belasting bedroeg, waardoor de fictie van kenbaarheid van toepassing is. De navordering werd daarom geoorloofd geacht.
Ook werd overwogen dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet betekent dat de Belastingdienst feilloos moet handelen, en dat beoordelingsfouten van de inspecteur niet onder deze regeling vallen. Het hoger beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag bevestigd.