Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[minderjarige]voor wie [zus appellant] als wettelijk vertegenwoordiger in dit geding optreedt,
1.Het geding in hoger beroep
2.Beoordeling
grief 2klagen [appellant, moeder en zus appellant] over de overweging van de voorzieningenrechter (bestreden vonnis onder 4.3) dat het feit dat [moeder en zus appellant] , een vrouw van 74, een verstandelijk gehandicapt meisje en haar moeder, ten tijde van het wijzen van het bestreden vonnis nog geen ander onderdak hadden gevonden weliswaar een noodtoestand oplevert die schorsing van de executie van het vonnis in de bodemprocedure tot 15 november 2016 rechtvaardigt, maar dat indien [moeder en zus appellant] in die extra tijd geen vervangende woonruimte of andere tijdelijke oplossing vinden, [moeder en zus appellant] zullen moeten improviseren en [appellant, moeder en zus appellant] dan niet nogmaals met succes schorsing van de executie kunnen verzoeken. Als argument bij deze grief is aangevoerd dat onbegrijpelijk is de redenering van de voorzieningenrechter dat de noodtoestand hoe dan ook per 15 november 2016 zal eindigen, omdat in dat geval geen rekening wordt gehouden met toekomstige feiten en omstandigheden. [appellant, moeder en zus appellant] hebben daarom in hoger beroep betoogd dat de voorzieningenrechter de executie had moeten schorsen tot in hoger beroep in de bodemprocedure zou zijn beslist, althans totdat [appellant, moeder en zus appellant] vervangende woonruimte hadden gevonden.
grief 3klagen [appellant, moeder en zus appellant] erover dat de proceskosten in het bestreden vonnis (onder 4.4) zijn gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. [appellant, moeder en zus appellant] leggen daaraan ten grondslag dat zij in conventie niet in het ongelijk zijn gesteld en in reconventie in het gelijk zijn gesteld.