Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
gemachtigde: mr. R. Zilver (Ausma De Jong Advocaten) te Utrecht
1.Ontstaan en loop van het geding
Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen een verzuimboete opgelegd van € 226 en is
€ 2.924 heffingsrente in rekening gebracht.
2.2. Feiten
3.
genoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt, te weten:
€ 240.573,17.
;
.
3.Geschil in hoger beroep
De vraag of de inspecteur terecht de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast heeft toegepast is, nadat de rechtbank deze sanctie niet van toepassing heeft geacht, in hoger beroep niet meer in geschil.
4.4. Beoordeling van het geschil
Voorts dient het inkomen nog verder te worden verlaagd, omdat in de kasopstelling geen rekening is gehouden met een aanzienlijk bedrag aan (gespaard) contant geld waarover belanghebbende op 1 januari 2005 beschikte.
De belastingrechter is bij de beoordeling van het voorliggende bewijsmateriaal niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter.
Met betrekking tot de periode waarin het saldo van de kasopstelling geacht moet worden te zijn verdiend heeft de inspecteur zich nader op het standpunt gesteld dat kan worden uitgegaan van vijf jaren. Indien belanghebbende wordt gevolgd in zijn stelling dat bij de bepaling van het niet aangegeven inkomen moet worden uitgegaan van het nader vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel, dan leidt dit niet tot een lagere aanslag.
€ 225.082,63, kon de inspecteur niet anders dan het niet in de heffing betrokken inkomen schattenderwijs vaststellen. Ook bij een dergelijke schatting dient de inspecteur zich te onthouden van willekeur.
Indien daarbij belanghebbende wordt gevolgd in zijn stelling dat voor de bijtelling nader moet worden uitgegaan van het verlaagde bedrag van de ontnemingsvordering ad
€ 225.082,63, dan leidt dit voor het onderhavige jaar tot een bijtelling van ruim € 45.000 en mitsdien, gegeven een bedrag van € 25.234 aan in 2008 door belanghebbende genoten looninkomsten, tot handhaving van de naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.000 berekende aanslag.
Belanghebbende heeft dit nagelaten, reden waarom het Hof aan die stelling voorbij gaat.
5.Kosten
6.6. Beslissing
J. van Horzen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen als griffier. De beslissing is op 29 november 2016 in het openbaar uitgesproken.