ECLI:NL:GHAMS:2016:5827

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 september 2016
Publicatiedatum
23 mei 2017
Zaaknummer
200.194.433/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw

Appellante [X] heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling door de rechtbank Amsterdam. Zij was van begin 2012 tot mei 2013 gedetineerd wegens een opiumdelict en heeft daardoor schulden laten ontstaan betreffende vaste lasten. Ook is zij veroordeeld tot een geldboete die voortvloeit uit een onherroepelijk vonnis.

Het hof oordeelt dat [X] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij te goeder trouw is geweest bij het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. De detentieperiode en het ontbreken van voldoende toelichting over de rol van de beschermingsbewindvoerder bij het ontstaan van schulden spelen hierbij een rol. Daarnaast is er onvoldoende inzicht gegeven in de omstandigheden rondom de boete.

Hoewel [X] inmiddels vrijwilligerswerk doet, begeleiding ontvangt en geen nieuwe schulden heeft gemaakt, bestaat er gerede twijfel over haar vermogen om de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling na te komen vanwege een aanstaande strafzaak in verband met een geëscaleerde familieruzie. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank en adviseert [X] om bij stabilisering van haar situatie en een gunstige afloop van de strafzaak opnieuw een verzoek in te dienen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd wegens gebrek aan goede trouw en twijfel over nakoming verplichtingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.194.433/01
rekestnummer rechtbank : C/13/604946 / FT RK 16/650
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 september 2016
in de zaak van
[X] ,
wonende te [Y] ,
appellante,
advocaat: mr. J.C.R. de Lyon te Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Appellante wordt hierna [X] genoemd.
[X] is bij op 30 juni 2016 per fax ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2016, waarbij het verzoek van [X] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 30 augustus 2016. Bij die behandeling is [X] verschenen, bijgestaan door mr. De Lyon voornoemd, die het beroepschrift nader heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie die aan het hof is overgelegd. Voorts is verschenen [Z] , thuisbegeleidster van [X] , werkzaam bij Amstelring.
Het hof heeft kennis genomen van het beroepschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en de namens [X] op 26 augustus 2016 nader overgelegde brief met bijlage.
[X] heeft desgevraagd verklaard over alle genoemde stukken te beschikken.

2.Beoordeling

2.1
[X] heeft in het beroepschrift verzocht alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe heeft zij – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. [X] is van begin 2012 tot mei 2013 gedetineerd geweest in verband met een opiumdelict. Hoewel haar goederen sinds 2 april 2012 onder beschermingsbewind staan, zijn er schulden ontstaan betreffende de vaste lasten. [X] weet niet hoe dit heeft kunnen gebeuren en meent dat haar terzake geen verwijt kan worden gemaakt. Voorts heeft zij een CJIB-boete gekregen omdat haar dochter niet tijdig terugkwam van een vakantie bij de familie van haar vader. [X] is ook met betrekking tot het ontstaan van deze schuld van mening dat haar geen verwijt treft. [X] heeft aangevoerd dat haar leven sindsdien een wending ten goede heeft genomen. Zij is in oktober 2012 verwezen naar de reclassering, welke begeleiding in mei 2015 is afgesloten. Zij heeft nieuwe vaardigheden ontwikkeld en geleerd met weinig geld te leven. Omdat [X] zwakbegaafd is, krijgt zij begeleiding van Amstelring. Deze begeleiding is structureel en helpt haar onder meer met het wekelijks doornemen van de post en administratie. De begeleidster van Amstelring zal [X] ook helpen met haar sollicitaties. [X] werkt nu als vrijwilligster in een verzorgingshuis. Dit gaat erg goed. Voorts is van belang dat de meerderjarige kinderen niet meer bij [X] in huis wonen en dat er geen nieuwe schulden zijn gemaakt. [X] heeft ter zitting in hoger beroep gemeld dat zij voor de rechtbank te Arnhem dient te verschijnen voor haar betrokkenheid bij een geëscaleerde familieruzie in verband waarmee de politie ter plaatse is geweest.
2.2
Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Faillissementswet (Fw) vloeit voort dat een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling alleen wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het hof is van oordeel dat [X] daarin niet is geslaagd.
2.3
Zoals uit het bovenstaande volgt, heeft [X] in de vijf jaar voorafgaande aan de dag van indiening van het inleidende verzoekschrift schulden laten ontstaan en onbetaald gelaten betreffende vaste lasten, waaronder energie en zorgverzekeringskosten. Gebleken is dat [X] bij onherroepelijk geworden strafvonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2012 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Door de detentie - die ongeveer anderhalf jaar heeft geduurd - heeft [X] enige tijd geen inkomen gehad en is er geen geld geweest de vaste lasten te voldoen. Tegen deze achtergrond heeft [X] niet aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van bovenbedoelde schulden te goeder trouw is geweest. De stelling van [X] dat zij niet weet hoe deze schulden zijn ontstaan nu zij haar goederen destijds onder bewind waren gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst is gebleken dat [X] reeds ongeveer drie maanden in detentie verkeerde alvorens haar goederen onder bewind werden gesteld en dat in die periode al schulden waren ontstaan en voorts dat - zonder nadere toelichting die ontbreekt - niet is komen vast te staan dat de schulden zijn ontstaan door toedoen of nalaten van de beschermingsbewindvoerder.
Verder is gebleken dat [X] bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 juni 2015 is veroordeeld tot een geldboete van € 750,-. Het had op de weg gelegen van [X] gelegen het hof inzicht te bieden in de achtergronden van deze zaak teneinde te kunnen beoordelen of zij daarvan een verwijt treft. [X] heeft dit echter nagelaten waardoor zij ook ten aanzien van het ontstaan van deze schuld niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij te goeder trouw is geweest. Bovengenoemde schulden staan aan toelating van [X] tot de schuldsaneringsregeling in de weg.
2.4
[X] heeft aangevoerd dat zij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen, zoals bedoeld in artikel 288, derde lid, Fw. Naar het oordeel van het hof heeft [X] dit onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Het hof onderkent dat [X] met het vrijwilligerswerk, het feit dat er geen nieuwe schulden zijn ontstaan tot nu toe, de woonbegeleiding en (wellicht binnenkort een nieuwe) beschermingsbewindvoerder op de goede weg is en dat de veranderingen die zij in haar leef- en zorgsituatie heeft aangebracht (en de begeleiding die zij daarbij krijgt, ook in financiële zin) daarbij van groot belang zijn. Gelet evenwel op hetgeen ter zitting in hoger beroep naar voren is gekomen, te weten dat zij in verband met een geëscaleerde familieruzie ook ruzie met de politie heeft gekregen en zij zich daarvoor ten overstaan van de rechtbank te Arnhem dient te verantwoorden, is er gerede twijfel gerezen of [X] in staat zal zijn de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling na te komen. In verband hiermee zal eerst afgewacht moeten worden wat de uitkomst van deze strafzaak zal zijn en of het ondergaan van een eventueel op te leggen straf verenigbaar is met het nakomen van de verplichtingen in de schuldsaneringsregeling.
2.5
Het hof geeft [X] in overweging dat in het geval zij op termijn kan aantonen dat bovenbedoelde strafzaak geen beletsel vormt voor toelating tot de schuldsaneringsregeling en dat haar leven verder stabiel is gebleven, zij over enige tijd nogmaals een verzoek kan indienen om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling.

3.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, A.S. Arnold en G.H. Lankhorst en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.