In deze bestuursrechtelijke belastingzaak ging het om de toepassing van de gebruikelijk-loonregeling volgens artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964. De inspecteur had een naheffingsaanslag opgelegd waarbij het loon van de werknemer [A], tevens aandeelhouder, gecorrigeerd werd via de afroommethode. De rechtbank vernietigde deze naheffingsaanslag en de inspecteur ging in hoger beroep.
Het Hof stelde vast dat partijen het eens zijn over de vergelijkingsmethode en de 'comparable', een senior jurist met een salaris van € 82.181. De afroommethode is volgens het Hof slechts toepasbaar indien geen vergelijkbare dienstbetrekking beschikbaar is. De inspecteur had ten onrechte de afroommethode toegepast terwijl voldoende gegevens over de vergelijkbare dienstbetrekking aanwezig waren.
Het Hof bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank dat het genoten loon van € 62.503 niet in belangrijke mate afwijkt van het gebruikelijke loon en dat de naheffingsaanslag onterecht is opgelegd. Tevens veroordeelde het Hof de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en legde griffierecht op. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.