Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2016:792

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 februari 2016
Publicatiedatum
7 maart 2016
Zaaknummer
200.183.550
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 WgbzArt. 4 WgbzArt. 6 EVRMArt. 15 lid 1 WgbzArt. 15 lid 2 Wgbz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling griffierecht bij gezamenlijke procedure vennoten en V.O.F.

Verzoekers, bestaande uit een vennootschap onder firma (V.O.F.) en haar vennoten, zijn in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam. Zij maakten bezwaar tegen de hoogte van het griffierecht dat was vastgesteld op het tarief voor niet-natuurlijke personen, terwijl aan één vennoot een toevoeging was verleend.

Het hof overweegt dat op grond van artikel 15 lid 1 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) bij gezamenlijke procedure van vennoten en de V.O.F. slechts éénmaal griffierecht verschuldigd is, en wel het tarief dat geldt voor de niet-natuurlijke persoon. Daarnaast bepaalt artikel 15 lid 2 Wgbz Pro dat bij gezamenlijke procedure van onvermogenden en anderen het griffierecht wordt geheven dat de laatsten verschuldigd zijn.

Het hof concludeert dat de toevoeging aan een vennoot niet leidt tot een ander tarief. Ook acht het hof geen schending van het recht op toegang tot de rechter, mede omdat er mogelijkheden zijn voor gesubsidieerde rechtsbijstand en verlaging van het griffierecht. Het verzet tegen de griffierechtennota wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hof verklaart het verzet ongegrond en bevestigt het griffierechtstarief voor niet-natuurlijke personen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.183.550/01
zaaknummer rechtbank : 3806818 CV EXPL 15-2133
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 februari 2016
in de zaak van:

1.De vennootschap onder firma [X] V.O.F.,

gevestigd te [Y] ,
2.
[AX],
wonend te [Y] ,
3.
[BX],
wonend te [Y] ,
4.
[CX],
wonend te [Y] ,
verzoekers 1 tot en met 4,
advocaat: mr. E.E. Sprenkeling te Amsterdam, verzoeker sub 5.

1.De procedure

In de hoofdzaak met zaaknummer 200.180.712/01 zijn verzoekers 1 tot en met 4 op 14 oktober 2015 in hoger beroep gekomen van het onder bovengenoemd zaaknummer gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2015. In dat vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van verzoekers 1 tot en met 4 tegen Sun Lover’s Casual en [A] afgewezen.
Bij nota van 4 december 2015 heeft het Landelijk Dienstencentrum van de rechtspraak (LDCR) in de hoofdzaak een bedrag van € 1.937,- aan griffierecht geheven. Bij brief van 10 december 2015 hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het griffierecht. Bij brief van 16 december 2015 heeft de griffier van dit hof de beslissing het tarief voor niet-natuurlijke personen te hanteren bij de berekening van het griffierecht gehandhaafd, omdat verzoeker sub 1 een vennootschap onder firma is.
De nota griffierecht ad € 1.937,- hebben verzoekers op 15 december 2015 voldaan.
Bij brief van 12 januari 2016 zijn verzoekers op grond van het bepaalde in artikel 29 lid 1 van Pro de Wet Griffierechten Burgerlijke Zaken (Wgbz) in verzet gekomen tegen de beslissing van de griffier van dit hof om het tarief voor niet-natuurlijke personen en niet het tarief voor onvermogenden te hanteren bij de vaststelling van het griffierecht.
Het hof heeft beschikking bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoekers maken bezwaar tegen het in rekening brengen van het griffierecht voor niet-natuurlijke personen. Daartoe stellen zij dat verzoeker sub 2 met zijn moeder een overeenkomst tot sleutelgeld is aangegaan uit naam van verzoekster sub 1. Het geschil heeft echter niet plaatsgevonden in de uitoefening van de vennootschap, om welke reden aan verzoeker sub 2 een toevoeging is verleend. Als gevolg van het geschil is verzoekster sub 1 thans failliet en is verzoeker sub 2 geruïneerd. Een griffierecht van € 1.950,- zal hem in de schuldhulp doen belanden. Daarom achten verzoekers het redelijk het geheven griffierecht te verminderen tot het griffierecht voor onvermogenden.

3.Beoordeling

3.1.
De vraag is of het gerechtvaardigd is dat, hoewel aan verzoeker sub 2 een toevoeging is verleend, in de hoofdzaak het griffierecht voor niet-natuurlijke personen wordt geheven. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend.
3.2.
In zaken die bij dagvaarding worden ingeleid wordt op de eerste roldatum van elke eiser en verschenen gedaagde griffierecht geheven (art 3 lid 1 Wgbz Pro). Alleen in gevallen die bij of krachtens de wet zijn bepaald kan anders worden geoordeeld (zie artikel 4 Wgbz Pro). Nu de vennoten en de V.O.F. bij één advocaat zijn verschenen en gelijkluidende conclusies hebben genomen, zijn zij op grond van artikel 15 lid 1 Wgbz Pro slechts éénmaal griffierecht verschuldigd en wel naar het tarief dat door de niet-natuurlijke persoon is verschuldigd. Bovendien geldt dat als onvermogenden en anderen gezamenlijk procederen, het griffierecht wordt geheven dat deze laatsten verschuldigd zijn (artikel 15 lid 2 Wgbz Pro). Dat aan verzoeker sub 2 een toevoeging is afgegeven, kan verzoekers dus niet baten.
3.3.
De toepassing van het wettelijk stelsel levert onder deze omstandigheden geen schending op van het door artikel 6 EVRM Pro beschermde recht van verzoekers sub 1 tot en met 4 op toegang tot de rechter. Bovendien bestaat er ook voor niet-natuurlijke personen een mogelijkheid van gesubsidieerde rechtsbijstand en verlaging van het griffierecht tot het tarief voor onvermogenden. Hiermee kan een eventuele onevenwichtigheid tussen de hoogte van het griffierecht en de draagkracht van de rechtzoekende worden weggenomen. Verzoekers hebben nagelaten hun stellingen ter zake deugdelijk te onderbouwen. Ook overigens zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die alsnog tot het door verzoekers gewenste gevolg nopen. Het verzet is derhalve ongegrond.

4.Beslissing

Het hof:
- verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, C.C. Meijer en J.W. Hoekzema en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 23 februari 2016.