Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
) bedraagt de vastgestelde en opgelegde materiële benadeling over de controleperiode van 1 juli 2009 tot en met 27 maart 2011 in totaal € 14.280,-.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak stond centraal of appellant, die werknemers in dienst had die als uitzendkrachten moesten worden beschouwd, gehouden was de cao voor Uitzendkrachten na te leven en de daarbij behorende verplichtingen te vervullen. SNCU, de Stichting Naleving cao voor Uitzendkrachten, vorderde betaling van een forfaitaire boete en nabetaling van achterstallig salaris.
Het hof stelde vast dat appellant en zijn werknemers onder de werkingssfeer van de cao vallen, omdat de werknemers onder toezicht en leiding van een derde, de inlener, werkzaam waren. Appellant had onvoldoende onderbouwd dat dit anders was. Tevens oordeelde het hof dat SNCU bevoegd was om deze vorderingen in te stellen, ook al waren appellant en zijn werknemers geen leden van een cao-sluitende partij.
Appellant had nagelaten tijdig de gevraagde informatie te verstrekken aan SNCU, waardoor een boete van € 100.000,- werd opgelegd, die het hof matigde tot € 25.000,- conform het beleid van SNCU. Daarnaast was sprake van een achterstallige loonsbetaling van € 8.729,- aan (ex)werknemers. De kantonrechter had appellant reeds veroordeeld tot betaling van proceskosten en buitengerechtelijke kosten, hetgeen het hof bevestigde.
Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover de vordering tot betaling van achterstallig salaris was afgewezen en veroordeelde appellant tot betaling van het achterstallige salaris en de forfaitaire boete. De overige veroordelingen werden bekrachtigd. De kosten in incidenteel appel werden gecompenseerd.
Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld tot betaling van een forfaitaire boete van € 25.000,- aan SNCU en € 8.729,- achterstallig salaris aan zijn werknemers, vermeerderd met wettelijke rente.