ECLI:NL:GHAMS:2016:98
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering vakantieaanspraken en schadevergoeding in hoger beroep
In deze civiele zaak stond de toekenning van vakantieaanspraken en een schadevergoeding centraal. Na een eerder tussenarrest van 28 april 2015 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld nadere toelichting te geven op de berekening van de vakantieaanspraken. Geïntimeerde lichtte zijn berekening toe, waarna appellant een verweer voerde dat het aantal verlofdagen onjuist was vastgesteld.
Het hof oordeelde dat het verweer van appellant onvoldoende gemotiveerd was en dat het standpunt dat verlofdagen reeds waren opgenomen niet eerder was ingenomen. De berekening van de vakantieaanspraken door geïntimeerde werd daarom als voldoende inzichtelijk en juist beoordeeld. Vervolgens werd vastgesteld dat grief 3 in principaal beroep faalt en dat geen van de grieven in principaal beroep slaagt.
Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover het het meer of anders gevorderde afwees en veroordeelde appellant tot betaling van een schadevergoeding van € 6.158,35 bruto en € 820,39 netto, alsmede een wettelijke verhoging van 10% over het gevorderde loon, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagvaarding. Tevens werd appellant veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld tot betaling van vakantieaanspraken, schadevergoeding, wettelijke verhoging met rente en proceskosten.