Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant sub 1] en
1.STICHTING PARTICIPATIEKANTOOR “LAMONRIVILLE”,
3. [geïntimeerde sub 3] ,
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.Feiten
grief 4aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte door hen gestelde feiten die door de stichting c.s. zijn erkend of niet betwist, niet als vaststaand heeft aangemerkt, maar zij hebben nagelaten concreet aan te geven op welke feiten zij hier doelen, nog daargelaten dat de rechtbank niet was gehouden alle vaststaande feiten te vermelden. Indien en voor zover [appellanten] met deze grief (ook) het oog hebben op (vermeende) juridische implicaties van bepaalde vaststaande feiten, betreft het geen tussen partijen vaststaande feiten, zodat deze terecht door de rechtbank niet bij de vermelde feiten zijn opgenomen. De vierde grief faalt dan ook.
3.Beoordeling
alleen mogen afwijzen als ter vergadering blijkt, dat een of meer der andere participatiehouders de betreffende participaties wensen te kopen. (...)
a) wij willen geen participaties voor hoofdhuis project
voor onbepaalde tijd de beschikking krijgen over het bakhuisje en een nog nader te beschrijven deel van de grond. Afgesproken wordt bovendien dat zij tussentijds of bij vervreemding van opstallen en grond Lamonriville door de Stichting (…) het recht hebben op koop van het bakhuisje en grond voor de 23 participaties die per 2006 zijn gekocht. (…) [appellant sub 1] en [appellante sub 2] delen met ingang van 2007 voor een kwart in de vaste kosten van opstallen en grond (verzekering en belasting) en nemen bouw en renovatiekosten voor hun rekening die geheel of deels aan het bakhuisje zijn toe te schrijven (…). [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3][ [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] ; hof]
zorgen voor de verbouwing van de boerderijwoning en andere delen van de boerderij en nemen (…) de kosten daarvan voor hun rekening.”
staat dat de participaties eerst aan de andere participanten moeten worden aangeboden. (...)”
. Vastgesteld wordt dat bij het (onverhoopt) moeten stoppen door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] van het gebruik van Lamonriville twee opties openstaan: het (door de Stichting laten) exploiteren van hun deel van Lamonriville of het verkopen van de participaties. In het laatste geval is in de statuten vastgelegd dat de participaties eerst aan de andere participanten moeten worden aangeboden. Over de prijs is in de statuten niets vastgelegd. Overwogen wordt dat bij de overname van participaties door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] geen marktprijs is gehanteerd, maar een prijs gebaseerd op zogeheten ‘out-of-pocket’ kosten. Daarom wordt in onderling goedvinden afgesproken dat bij een onverhoopte situatie waarin participaties van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] worden aangeboden aan en overgenomen door [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] de prijs eveneens op ‘out-of-pocket’ basis (aankoopprijs, werkelijk gemaakte kosten en inflatiecorrectie) wordt bepaald.”
grieven 1 tot en met 3opkomen. Het hof overweegt als volgt.
.”
grieven 5 tot en met 8opkomen. Het hof overweegt als volgt.
overeenge-komendat een eventuele wijziging van de waarde van het bakhuis en de daarbij beho-rende grond voor risico van [appellanten] is (de door hen bedoelde passage in het stuk van 8 april 2012 is in dit verband onvoldoende), iii) dat de stelling van [appellanten] dat zij de economische eigendom van het bakhuis en de daarbij behorende grond in bezit hebben genomen onbegrijpelijk is, iv) dat de door [appellanten] beoogde (vrijelijke) overdracht van de door hen bedoelde economische eigendom aan derden zonder nade-re uitleg, die ontbreekt, niet te verenigen is met de participatievoorwaarden en v) dat de stelling van [appellanten] dat zij recht hebben op juridische levering van een en an-der, mede gezien hetgeen het hof ten aanzien van de grieven 1 tot en met 3 heeft over-wogen, een toereikende grondslag ontbeert. De onderhavige grieven falen dan ook.