ECLI:NL:GHAMS:2017:2730
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken rechtsgeldige opdracht en proceskostenveroordeling
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 11 juli 2017 uitspraak gedaan in hoger beroep over de ontvankelijkheid van appellante. Het hof oordeelde dat appellante niet in haar hoger beroep kan worden ontvangen omdat er geen rechtsgeldige opdracht aan haar advocaat, mr. Liefting, was gegeven om het hoger beroep in te stellen. Dit ondanks een verzoek van mr. Liefting om terug te komen van die bindende eindbeslissing.
Het hof verwierp het primaire verweer dat het opgeheven bewind van appellante relevant zou zijn voor de ontvankelijkheid en ook het subsidiaire verweer dat appellante de opdracht alsnog zou hebben bekrachtigd. De bekrachtiging werd als tardief beoordeeld en bovendien was de akte van mr. Liefting niet namens appellante, maar voor zichzelf genomen.
Daarom bleef het hof bij de beslissing dat appellante niet ontvankelijk is in haar hoger beroep. Tevens werd mr. Liefting op grond van artikel 245 lid 1 Rv Pro veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Eigen Haard, die in appel in het gelijk werd gesteld. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en haar advocaat wordt veroordeeld in de proceskosten.