Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Verdere beoordeling
Grief 13 in principaal appel, die is gericht tegen de dienovereenkomstige overweging van de rechtbank, stuit daarop af.
grief 12 in principaal appelbestrijdt Parteon wel dat zij wist dat [X] een aanzienlijk belang bij haar overeenkomst met Parteon had, maar tevergeefs; gegeven het volume van de door [X] in het verleden voor Parteon verrichte werkzaamheden en de duur van de relatie acht het hof dit belang evident.
grieven 4, 5, 8, 9, 10 en 11 in principaal appeltevergeefs zijn voorgedragen.
grieven 2 en 3 in principaal appel, wat het rechtskarakter is van de overeenkomst van 27 september 2007 en of uit die overeenkomst, zoals de rechtbank heeft overwogen, voortvloeit dat Parteon gehouden was [X] op regelmatige basis nieuwe opdrachten te gunnen. Parteon voert aan dat die overeenkomst voor partijen eerst tot verplichtingen leidde, zodra Parteon [X] een opdracht gaf voor specifiek uit te voeren werkzaamheden. Dit betoog kan niet worden aanvaard. Partijen deden reeds zeer lang zaken met elkaar. Toen zij een raamovereenkomst sloten met betrekking tot de wijze waarop zij over bepaalde werkzaamheden in het vervolg afzonderlijke overeenkomsten van opdrachten met elkaar zouden aangaan en daarbij een opzegtermijn overeenkwamen, heeft [X] redelijkerwijs erop mogen vertrouwen dat zij gedurende de looptijd van die overeenkomst, en dus ook gedurende de opzegtermijn, de desbetreffende opdrachten zou (blijven) krijgen van Parteon. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen valt immers, zonder nadere toelichting, die door Parteon niet is gegeven, niet in te zien wat anders de zin van de opzegtermijn zou zijn geweest.
grieven 14 en 15 in principaal appel, die het tegendeel betogen. De omvang waarin Parteon aan [X] opdrachten had moeten geven zal moeten worden bepaald door te kijken naar hetgeen in het verleden tussen partijen gebruikelijk was, waarbij niet alleen het gemiddelde per periode een rol kan spelen, maar ook eventuele tendensen. In zoverre falen de grieven 2 en 3 in principaal appel. Of dit ook betekent dat Parteon [X] “regelmatig” opdrachten had behoren te geven, zoals de rechtbank overwoog, valt voor het hof op dit moment echter niet vast te stellen.
grieven 18 tot en met 21 in principaal appelfalen derhalve.
grief 22 in principaal appelbetoogt Parteon echter dat niet is voldaan aan het vereiste dat de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk is gemaakt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [X] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij door het hiervoor onder 2.13 en 2.14 omschreven tekortschieten in de nakoming van de beide overeenkomsten schade heeft geleden. Parteon heeft weliswaar de omvang van de door [X] in eerste aanleg gestelde schade betwist, maar dat [X] in ieder geval enige schade heeft geleden heeft zij onvoldoende gemotiveerd bestreden.