In hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter is verdachte beschuldigd van het telen en voorhanden hebben van een grote hoeveelheid hennepplanten in een gehuurde loods te Amsterdam.
Verdachte stelde dat hij niet betrokken was bij de hennepkwekerij en slechts als katvanger fungeerde. Het hof achtte dit alternatieve scenario niet onwaarschijnlijk en vond dat de politie hier onvoldoende op had doorgevraagd. Daarom werd het telen van hennep niet wettig en overtuigend bewezen verklaard.
Wel werd bewezen verklaard dat verdachte gedurende de periode van 1 december 2007 tot en met 14 april 2009 opzettelijk een hoeveelheid van 936 hennepplanten in de loods voorhanden had. Dit werd strafbaar geacht onder de Opiumwet.
Gezien de omvang van de hennepkwekerij en eerdere veroordelingen van verdachte voor opiumwetdelicten, legde het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar op, gecombineerd met een taakstraf van 180 uur. De opgelegde straf houdt rekening met de ernst van het feit, de negatieve criminele uitstraling en de schadelijke gevolgen van hennepgebruik.