Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Tussen partijen vaststaande feiten
1. ALGEMEEN
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende betwistte de WOZ-waarde van zijn woning, een bungalow uit 1975, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €224.000 en door de rechtbank was verlaagd naar €215.000. Hij voerde aan dat vochtproblemen in het betonsteenmetselwerk en andere gebreken de waarde negatief beïnvloeden.
Het Hof onderschrijft de rechtbank in haar oordeel dat de door de heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten onvoldoende vergelijkbaar zijn en dat de waarde van €215.000 in goede justitie is vastgesteld. Het door belanghebbende ingebrachte rapport over vochtproblemen in de kruipruimte en de betonsteen levert onvoldoende bewijs voor een lagere waarde op de peildatum.
De heffingsambtenaar trok het incidenteel hoger beroep in en erkende dat de waarde eerder te laag dan te hoog was. Het Hof veroordeelde de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning blijft €215.000.