ECLI:NL:GHAMS:2017:5125
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep afgewezen inzake alleenstaande-ouderkorting en hoorplicht bij belastingaanslag
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2013 waarin de alleenstaande-ouderkorting werd gecorrigeerd. De inspecteur handhaafde de aanslag en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde belanghebbende dat zij wel recht had op de korting, dat de hoorplicht was geschonden en dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waren overtreden.
Het Hof overweegt dat belanghebbendes zoon sinds 2011 niet meer op haar adres staat ingeschreven, waardoor zij niet in aanmerking komt voor de alleenstaande-ouderkorting. Het Hof is niet bevoegd om de hardheidsclausule toe te passen; dat verzoek moet aan de Minister van Financiën worden gericht.
Ten aanzien van de hoorplicht merkt het Hof op dat belanghebbende niet expliciet om een hoorzitting had verzocht en dat de inspecteur haar uitnodiging daartoe niet onrechtmatig heeft verzonden. Ook zijn geen feiten gebleken die wijzen op strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.