ECLI:NL:GHAMS:2017:5665
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling wegens tekortschieten in medewerking
Appellante is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigde. Zij stelde zich arbeidsongeschikt en voerde aan dat de communicatie met de bewindvoerder stroef verliep en dat zij zich inspande om aan haar verplichtingen te voldoen. Ook betwistte zij de arbeidsgeschiktheid die het UWV had vastgesteld.
De bewindvoerder stelde dat appellante onvoldoende medewerking verleende, met name door het niet nakomen van de sollicitatieverplichting na het einde van haar tijdelijke vrijstelling en het niet overleggen van bewijsstukken of het aanvragen van een keuring. Het hof overwoog dat de schuldsaneringsregeling verplichtingen aan de schuldenaar oplegt, waaronder actieve medewerking en het nastreven van baten voor de boedel.
Het hof oordeelde dat appellante tekort was geschoten in haar verplichtingen, dat de moeizame communicatie niet aan de bewindvoerder te wijten was en dat de tekortkomingen ernstig en verwijtbaar waren. Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling gehandhaafd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens tekortkoming in medewerking door appellante.