Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellante sub 1] ,
[appellant sub 2],
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak gingen appellanten in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarin hun vordering tot erkenning van een erfdienstbaarheid van overpad op het perceel van geïntimeerde HBB werd afgewezen. Appellanten stelden dat zij sinds 1954 gebruik maakten van een achterom over het perceel van HBB en dat zij door verkrijgende verjaring op grond van artikel 3:105 BW Pro een recht van overpad hadden verkregen.
Het hof stelde vast dat voor verkrijging door extinctieve verjaring ondubbelzinnig bezit vereist is, wat betekent dat het gebruik zodanig moet zijn dat niet anders kan worden afgeleid dan dat het recht van overpad werd uitgeoefend. Het enkele gebruik als achterom en het ontbreken van bezwaar door de rechtsvoorganger van HBB waren onvoldoende om dit ondubbelzinnig bezit aan te tonen.
Daarnaast was het gebruik niet onafgebroken, omdat het terrein na sluiting van een tankstation in 1999 volledig was afgesloten en er in de periode 1999-2002 geen poortdeur aanwezig was. Hierdoor kon niet worden voldaan aan de eis van onafgebroken bezit gedurende twintig jaar.
Het hof concludeerde dat geen sprake was van bezit van een erfdienstbaarheid en verwierp het beroep op verkrijgende verjaring. Het bestreden vonnis werd bekrachtigd en appellanten werden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep op verkrijgende verjaring van een erfdienstbaarheid van overpad wordt verworpen en het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.