Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
gemachtigde: mr. M.H.W.N. Lammers (Jaeger Advocaten Belastingkundigen) te Amsterdam,
1.Ontstaan en loop van het geding
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- verklaart het bezwaar ontvankelijk;
- vermindert de beschikking aansprakelijkstelling tot een bedrag van € 74.811,05;
- veroordeelt verweerder [de ontvanger] in de proceskosten van eiser [belanghebbende] tot een bedrag van € 1.240;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.”
2.Feiten
Op 24 oktober 2013 is de beschikking nogmaals per aangetekende post naar het adres in [Z] verzonden. Op 28 oktober 2013 is een bericht van aankomst achtergelaten en op 20 november 2013 heeft verweerder de aangetekende brief retour ontvangen.
(…)
Stichting [A] , houder van 900 aandelen;
[Belanghebbende], bestuurder en secretaris der Vennootschap;
(…)
Met instemming van de vergadering wordt [belanghebbende] aangewezen om van het verhandelde notulen te houden.
(…)
De voorzitter stelt vast dat van het geplaatste kapitaal van de vennootschap, ad € 90.000 (100 procent) aanwezig of vertegenwoordigd is.
(…)
2. Overname van [de BV] en Stichting [A] door de [persoon B] op 01-07-2013
De [persoon B] zal 01-07-2013 bestuurder zijn van Stichting [A] , met inachtneming van alle lusten en lasten van het verleden, het heden en de toekomst.”
3.3. Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
Het Hof zal derhalve hierna ervan uitgaan dat de BV voor de loontijdvakken februari tot en met juni 2013 inhoudingsplichtig was ter zake van het in die periode door werknemers van haar genoten loon, dat de BV ter zake van dat loon aanvankelijk, als vermeld in onderdeel 5 van de uitspraak van de rechtbank, terecht aangifte heeft gedaan en dat de daarop gebaseerde naheffingsaanslagen juist zijn.
Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat belanghebbende in ieder geval op 4 september 2013 nog bestuurder was van de Stichting [A] (hierna: de stichting) en dat de stichting op dat moment – naast enig aandeelhouder van de BV – tevens de enig bestuurder was van de BV. In dit verband wijst de ontvanger voorts erop dat belanghebbende, anders dan hij heeft gesteld, in de notulen van de op 20 juni 2013 gehouden buitengewone vergadering van aandeelhouders van de BV nog als bestuurder van de BV is aangeduid en dat die notulen door belanghebbende als bestuurder en als notulist zijn ondertekend. Volgens de ontvanger heeft belanghebbende ook geen verklaring ervoor gegeven dat de bestuurderswisseling – zo deze al op 1 juli 2013 zou hebben plaatsgevonden, hetgeen de ontvanger heeft betwist – eerst op 29 oktober 2013 in het handelsregister zou zijn opgenomen.
De door belanghebbende overgelegde notulen van de buitengewone vergadering van aandeelhouders van de BV van 20 juni 2013 en het uittreksel van het handelsregister van 20 november 2014 acht het Hof daartoe onder de gegeven omstandigheden onvoldoende. Deze stukken verklaren niet waarom belanghebbende op 4 september 2013 nog als bestuurder van de stichting stond ingeschreven. Aan de bewijskracht van die notulen draagt overigens niet bij dat [persoon B] daarin consequent is aangeduid met ‘de [persoon B] ’, alsof de toenmalige bestuurder van de stichting/tevens notulist (belanghebbende) toen niet of onvoldoende bekend was met de identiteit van degene die bestuurder van de stichting zou gaan worden. In dit verband acht het Hof het voorts van belang dat de gestelde uittreding van belanghebbende als bestuurder van de stichting kennelijk verband hield met de overdracht van de onderneming of het personeel van de BV naar [B] B.V., terwijl belanghebbende daarvan – afgezien van zijn eigen verklaring – geen enkel bewijs heeft geleverd.
De uiterste data waarop de betalingsonmacht had kunnen worden gemeld vallen derhalve binnen de periode waarin eiser middellijk bestuurder van de BV was.
Tevens stelt belanghebbende dat uit door de ontvanger overgelegde gegevens blijkt dat de BV in de eerste twee kwartalen van 2013 (ruim) voldoende resultaat heeft behaald om daarmee de naheffingsaanslagen te betalen, zodat er ook op deze grond geen betalingsonmacht was.
4.11.2. Voorts volgt volgens de ontvanger uit het arrest BNB 2011/112 dat de enkele omstandigheid dat een lichaam in de periode waarin het de verschuldigde belasting diende te betalen, over liquide middelen beschikte tot het bedrag van de betalingsverplichtingen, onvoldoende is om aan te nemen dat er geen sprake is van betalingsonmacht.
Tevens betwist de ontvanger dat de BV over voldoende financiële middelen beschikte om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende slechts verwezen naar – overigens betrekkelijk summiere – gegevens over de omzet van de BV die de ontvanger bij zijn verweerschrift in hoger beroep heeft verstrekt. Nog afgezien ervan dat deze gegevens niet ter onderbouwing van een ontbreken van betalingsonmacht zijn verstrekt, volgt een dergelijk ontbreken ook niet, althans niet zonder meer, uit die gegevens. In het bijzonder zeggen die gegevens weinig tot niets over de liquiditeiten waarover de BV beschikte toen de onderhavige loonheffingen moest worden betaald en ook niet over het destijds ontbreken van verplichtingen die aan de betaling in de weg kunnen hebben gestaan. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat de BV ter zake van het niet betalen van de naheffingsaanslagen loonheffingen niet in een situatie van betalingsonmacht verkeerde.
Aan de vraag of het niet betalen van de belasting het gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, als bedoeld in artikel 36, derde lid, IW 1990 komt het Hof dan verder niet toe.
De inspecteur heeft deze stelling betwist.
5.Kosten
6.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissing over de proceskosten en
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aansprakelijkstelling tot een naar een bedrag van € 58.869,05;
- veroordeelt de ontvanger in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.485, en
- gelast de ontvanger aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 124 te vergoeden.