ECLI:NL:GHAMS:2017:90
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vrijval herinvesteringsreserve in vennootschapsbelasting 2011
Belanghebbende had in 2008 een herinvesteringsreserve gevormd naar aanleiding van de verkoop van onroerend goed en haar onderneming. In de aangifte 2011 werd geen herinvesteringsreserve opgenomen, maar de inspecteur hield bij de aanslag rekening met de vrijval ervan. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat de reserve ten onrechte was gevormd omdat geen herinvesteringsvoornemen bestond.
De rechtbank oordeelde dat de vrijval van de herinvesteringsreserve in 2011 terecht was, omdat de driejaarstermijn was verstreken en geen uitzonderingssituaties van toepassing waren. Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat de reserve al eerder had moeten vrijvallen vanwege het ontbreken van een herinvesteringsvoornemen, maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken.
Het Hof bevestigde het oordeel van de rechtbank, overwegende dat de bewijslast voor het ontbreken van een herinvesteringsvoornemen bij belanghebbende ligt en dat zij onvoldoende bewijs heeft geleverd. Ook het beroep op de foutenleer faalde, omdat de inspecteur de vermeende fout op de juiste wijze in het juiste jaar heeft hersteld. De heffingsrente werd eveneens als correct beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting inclusief heffingsrente wordt bevestigd.