Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2018:1366

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 april 2018
Publicatiedatum
24 april 2018
Zaaknummer
17/00175
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtbankuitspraak over kostenvergoeding bezwaar naheffingsaanslag omzetbelasting

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over juli 2015 en verzocht om een kostenvergoeding. De inspecteur vernietigde de aanslag en kende een kostenvergoeding toe van €122. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende tegen deze vergoeding ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de zaak het gewicht van 'licht' had vanwege de beperkte complexiteit.

Het Gerechtshof Amsterdam toetste dit oordeel en bevestigde dat de rechtbank in redelijkheid tot deze waardering kon komen. De zaak betrof een administratieve fout waarbij het btw-nummer van belanghebbende ten onrechte werd gebruikt door zijn opvolger. De stelling van belanghebbende dat de Belastingdienst zijn systemen beter moet inrichten om dergelijke fouten te voorkomen, vond geen steun in het recht.

Het hof oordeelde dat de rechtbank het gewicht van de zaak terecht als licht had gekwalificeerd en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Tevens wees het hof een veroordeling in proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door de belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 24 april 2018.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 17/00175
24 april 2018
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]te [Z] , belanghebbende,
gemachtigde: W.F. Bruinsma
tegen de uitspraak van 10 februari 2017 in de zaak met kenmerk HAA 16/1207 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 26 november 2015 aan belanghebbende over het
tijdvak 1 juli 2015 tot en met 31 juli 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd
van € 703.
1.2.
Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 12 februari 2016, de naheffingsaanslag vernietigd. Bij beslissing van 13 januari 2016 heeft de inspecteur belanghebbende een kostenvergoeding toegekend van € 122.
1.3.
De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep in haar uitspraak van 10 februari
2017 ongegrond verklaard.
1.4.
Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 27 maart
2017. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Op 27 februari 2018 is een nader stuk ontvangen van belanghebbende.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2018, tegelijkertijd met het
onderzoek in de zaak met kenmerk 17/00176. Van het verhandelde ter zitting is een
proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als eiser en de inspecteur als verweerder).
“1. Eiser dreef tot 1 juli 2015 een onderneming waarvan de activiteiten bestonden uit
de reparatie van computers en randapparatuur alsmede groothandel in computers,
randapparatuur en software. De onderneming is met ingang van 1 juli 2015 voortgezet door [X] .
2. Met dagtekening 26 november 2015 heeft verweerder aan eiser over het tijdvak
1 juli 2015 tot en met 31 juli 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd naar een bedrag van € 703.
3. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief van 30 november 2015, door
verweerder ontvangen op 1 december 2015. Dit bezwaarschrift is tevens gericht tegen de naheffingsaanslag en boetes die zijn opgelegd aan de opvolger van eiser, [X] met betrekking tot het tijdvak 1 juli 2015 tot en met 30 september 2015. In het
bezwaarschrift wordt verzocht om toekenning van een kostenvergoeding.”
2.2.
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3.Geschil in hoger beroep

3.1.
Evenals bij de rechtbank is bij het Hof enkel in geschil de hoogte van de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding.
3.2.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4.Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil het volgende overwogen.
“5. Met betrekking tot de te hanteren wegingsfactor heeft het volgende te gelden. De
wegingsfactor wordt bepaald naar gelang het gewicht van de zaak. Het gewicht van de zaak
wordt bepaald door het belang en de ingewikkeldheid van de zaak. De hoogte van het
financiële belang kan een factor zijn, maar is niet doorslaggevend. In de toelichting op de
wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht van 25 februari 2002, Stb. 113 staat
met betrekking tot de wegingsfactor op bladzijde 6 vermeld dat de uitkomst steeds in
overeenstemming dient te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak
en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. De rechtbank
is van oordeel dat verweerder het gewicht van de onderhavige zaak terecht als licht heeft
gekwalificeerd nu in het bezwaarschrift enkel behoefde te worden gewezen op het feit dat
bij het doen van aangifte voor de opvolger van eiser en het betalen van de door de opvolger van eiser verschuldigde omzetbelasting ten onrechte het btw-nummer van eiser was gehanteerd.
6. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

5.Beoordeling van het geschil

5.1.
Onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht onderscheidt voor de bepaling van het gewicht van een zaak vijf categorieën - van ‘zeer licht’ tot ‘zeer zwaar’ – met een bijbehorende wegingsfactor. Het Hof stelt voorop dat de beoordelende instantie, in dit geval de rechtbank, zelfstandig, op grond van een eigen waardering, dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt (zie HR 23 september 2011, nr. 10/04238, ECLI:NL:HR:2011:BT2293, BNB 2011/265). Bij deze beoordeling heeft de rechtbank een zekere discretionaire bevoegdheid. Dit brengt mee dat het Hof die beoordeling zal toetsen aan de maatstaf of de rechtbank in redelijkheid tot haar oordeel heeft kunnen komen.
5.2.
De rechtbank heeft haar oordeel dat de inspecteur het gewicht van de onderhavige zaak terecht als licht heeft gekwalificeerd, gegrond op de sub 4, punt 5, vermelde overweging.
Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank in redelijkheid tot deze beoordeling kunnen komen.
5.3.
De ter zitting door belanghebbende betrokken stelling dat hij schade heeft geleden als gevolg van een onrechtmatige overheidsdaad behoeft geen afzonderlijke behandeling, nu hij daaraan heeft toegevoegd dat die schade enkel bestaat uit de (te lage) vergoeding van proceskosten.
5.4.
In een geval als het onderhavige staat het bepaalde in artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet aan het opleggen van een naheffingsaanslag in de weg.
De stelling van belanghebbende dat de Belastingdienst zijn systemen zo dient in te richten dat een fout in de aangifte omzetbelasting wordt gesignaleerd en dat dan een verzoek om inlichtingen wordt gedaan, vindt geen steun in het recht, noch in de door belanghebbende genoemde hofuitspraak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2018, nr. 17/04082, ECLI:NL:HR:2018:133.
Slotsom
5.5.
Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond, zodat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6.Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

7.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 24 april 2018 in het openbaar uitgesproken.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De uitspraak is ondertekend door de oudste raadsheer en de griffier.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.