Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
12.Stemmen boetes heer [appellant]
1. Zeer belastende mail naar directie Hepro op 22 mei 2015 (een dag na de vergadering).
2. 6 juni 2015 wederom benaderen directie Hepro
3. 10 juli 2015 benaderen directie Hepro en mails sturen naar ACB over afgesloten Hepro project
3.Beoordeling
grief 2voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte het onder punt 12 van de notulen van de vergadering van 21 april 2016 opgenomen besluit in stand heeft gelaten, overwegende - kort gezegd - dat niet geoordeeld kan worden dat de VvE niet in redelijkheid tot het besluit tot het opleggen van drie boetes aan [appellant] had kunnen komen. Voor zover [appellant] in dit verband erover klaagt dat het tijdens de vergadering van 21 mei 2015 genomen “waarschuwingsbesluit” te ruim is geformuleerd, waardoor het voor hem onduidelijk is wanneer hij een boete riskeert, overweegt het hof dat dit besluit thans niet aan de orde is. Immers, bij beschikking van 24 februari 2016 heeft de kantonrechter het verzoek van [appellant] tot vernietiging van dit besluit, met uitzondering van de mandatering van de bevoegdheid tot het opleggen van boetes aan de administrateur, afgewezen en van deze beschikking is [appellant] niet in hoger beroep gekomen. Daarmee staat de norm waaraan het gedrag van [appellant] moet worden getoetst vast. De VvE stelt dat er sprake is van drie overtredingen van het waarschuwingsbesluit waarbij [appellant] telkens ongevraagd en ongewenst per