Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
,
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
5.Beoordeling van het geschil
.
Gerechtshof Amsterdam
In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of een subsidie op termijn (SOT) van € 93.568, ontvangen in 2012 voor onderhoud aan een monumentenpand, als negatieve persoonsgebonden aftrek in de aangifte inkomstenbelasting 2012 mag worden verwerkt. De inspecteur stelde dat deze subsidie belastbaar is omdat de onderhoudskosten in 1997 reeds in aftrek waren gebracht. Belanghebbende ontkende dit en gaf aan dat groot onderhoud niet in aftrek was gebracht vanwege de subsidieregeling en dat de meeste betalingen rechtstreeks aan de aannemer waren gedaan.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur onvoldoende bewijs had geleverd dat de onderhoudskosten in 1997 waren afgetrokken en verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond. Het hof bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Het hof overwoog dat hoewel er een vermoeden bestond dat de onderhoudskosten in 1997 waren afgetrokken, belanghebbende dit vermoeden voldoende had ontzenuwd door de omstandigheden, waaronder het ontbreken van de specificatie en de negatieve inkomens in die jaren.
Het hof veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende en bevestigde de vaststelling van het belastbaar inkomen uit werk en woning op € 44.379 voor 2012. De uitspraak werd gedaan door de vierde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 5 juli 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep van de inspecteur wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.