Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.De beoordeling
na het vonnisfeiten zijn voorgevallen of aan het licht zijn gekomen die daartoe leiden, wat hier niet aan de orde is. Voor zover [geïntimeerde] zich erop beroept dat zijn minderjarige dochter [X] bij hem kwam wonen of inwoonde, betreft het hier evenmin een na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feit, omdat ook hieraan reeds in (rov. 5.8 van) het vonnis van 18 juli 2017 aandacht is besteed. Anders dan [geïntimeerde] betoogt en de voorzieningenrechter heeft overwogen, kan in het onderhavige geval derhalve niet worden gesproken van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die meebrengen dat de executie van het vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand zal doen ontstaan voor [geïntimeerde] .
grief I in principaal appelslaagt.
grief II en grief III in principaal appelslagen dus.