Het geschil betreft de uitleg van artikel 1.7 van Onderdeel B van het pensioenreglement van Stichting Pensioenfonds Werk en (Re)integratie (PWRI). [Appellant], arbeidsongeschikt met een WAO-uitkering gebaseerd op 80-100% arbeidsongeschiktheid maar feitelijk uitgekeerd op basis van 25-35%, vordert dat alleen de feitelijke WAO-uitkering in mindering wordt gebracht op zijn vervroegd ouderdomspensioen (VOP).
De kantonrechter wees de vorderingen af, waarna [appellant] in hoger beroep ging. Het hof oordeelt dat de cao-norm van toepassing is op de uitleg van het pensioenreglement. De bewoordingen van artikel 1.7 maken duidelijk dat het recht op WAO-uitkering, en niet het feitelijk uitgekeerde bedrag, bepalend is voor de mindering.
Het hof overweegt dat de door PWRI voorgestane uitleg logisch is en voorkomt dat het totale inkomen van [appellant] hoger wordt dan zijn oorspronkelijke salaris. Het beroep op strijd met de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBHCZ) faalt, omdat er geen ongelijke behandeling van gelijke gevallen is. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt [appellant] in de proceskosten.