Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant sub 1] ,
[appellante sub 2],
1.INBEV NEDERLAND N.V.,
RESTAURANT DE VISSERMAN VOF,
[geïntimeerde sub 3],
[geïntimeerde sub 4],
Gerechtshof Amsterdam
Appellanten zijn in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter in zaken betreffende de afwikkeling van een hoofdhuurovereenkomst en een onderhuurovereenkomst van bedrijfs- en woonruimte. Tijdens de zitting bij de kantonrechter op 5 december 2016 zijn afspraken gemaakt, waarbij partijen de voorkeur gaven aan beoordeling door de kantonrechter conform artikel 96 Rv Pro.
Geïntimeerden stelden een incident in en betoogden dat appellanten niet ontvankelijk zijn in hoger beroep omdat zij zich niet uitdrukkelijk en eensluidend hebben voorbehouden het hoger beroep in te stellen, zoals vereist is door artikel 333 Rv Pro in samenhang met artikel 96 Rv Pro. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat een dergelijk voorbehoud niet is gemaakt. Appellanten erkennen dit ook in hun memorie van grieven en hebben dit eerder verklaard tegenover de voorzieningenrechter.
Het hof oordeelt dat de vermelding in het vonnis dat partijen het hoger beroep openhielden geen betekenis heeft zonder het vereiste uitdrukkelijke voorbehoud. Ook het beroep op de vaststellingsovereenkomst leidt niet tot ontvankelijkheid. Daarom verklaart het hof appellanten niet ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelt hen in de kosten van het geding.
Uitkomst: Appellanten worden niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van een uitdrukkelijk en eensluidend voorbehoud van hoger beroep.