ECLI:NL:GHAMS:2018:3447
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- G.C. Boot
- H.T. van der Meer
- F.J. Verbeek
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake vordering op beneficiair aanvaarde nalatenschap en procespartijen
In deze civiele zaak staat een rechtsvordering centraal gericht op betaling van declaraties door de erfgenamen van een overleden vader die zijn nalatenschap beneficiair hebben aanvaard. De vordering is ingesteld door de advocaat die werkzaamheden voor de vader verrichtte. De kantonrechter stelde vast dat de erfgenamen als vereffenaars gezamenlijk gehouden zijn tot betaling van de vordering.
Appellante kwam in hoger beroep tegen dit vonnis, waarbij zij alleen zichzelf als partij in het geding bracht, terwijl haar mede-erfgenaam en mede-vereffenaar niet in hoger beroep trad. Het hof overweegt dat bij een beneficiaire aanvaarding de erfgenamen gezamenlijk bevoegd zijn en dat in een processueel ondeelbare rechtsverhouding alle betrokkenen partij moeten zijn om een bindende beslissing te kunnen nemen.
Het hof wijst op een arrest van de Hoge Raad (10 maart 2017) dat bepaalt dat als niet alle betrokkenen in hoger beroep verschijnen, de rechter ambtshalve moet zorgen dat ook de niet-opgeroepen partijen alsnog worden betrokken. Daarom krijgt appellante de gelegenheid om haar mede-erfgenaam op te roepen als partij op grond van artikel 118 Rv Pro, met het oog op een volledige en rechtmatige procedure. Indien appellante hier geen gebruik van maakt, zal zij niet-ontvankelijk worden verklaard en zal het bestreden vonnis in kracht van gewijsde gaan.
De procedure wordt aangehouden en de zaak wordt verwezen naar een roldatum voor het indienen van de oproepingsakte en het eventueel nemen van een memorie door de mede-erfgenaam. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018.
Uitkomst: Het hof wijst appellante de gelegenheid toe om de mede-erfgenaam als partij op te roepen, waarna de procedure wordt voortgezet.