Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd nadat haar voertuig op 19 januari 2016 zonder geldig parkeerrecht was geparkeerd. Zij stelde dat de intrekking van de bedrijfsparkeervergunning onrechtmatig was omdat deze niet correct bekend was gemaakt. Het hof volgde de rechtbank in het oordeel dat de intrekking van de vergunning op juiste wijze was gepubliceerd en dat belanghebbende geen rechtsmiddelen tegen deze intrekking had aangewend, waardoor deze onherroepelijk was.
Daarnaast voerde belanghebbende diverse formele bezwaren aan, waaronder onjuiste bevoegdheid van betrokken ambtenaren en schending van de hoorplicht. Het hof verwierp deze bezwaren, onder meer omdat eventuele gebreken niet tot benadeling van belanghebbende hadden geleid en omdat de hoorplicht niet was geschonden aangezien belanghebbende niet om een hoorgesprek had verzocht.
Ook de stelling dat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikelen 6 en 13) van toepassing was, werd verworpen. Het hof concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen kosten aan de wederpartij opgelegd.