Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van 30 juni 2015. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar op 25 augustus 2015 ongegrond. Belanghebbende stelde het beroep pas op 9 april 2018 in, ruim na de wettelijke termijn van zes weken.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende en diens gemachtigde niet verschenen waren op de zitting, ondanks een tijdige oproeping. Op grond hiervan trok de rechtbank de conclusie dat de uitspraak op bezwaar binnen een week na 25 augustus 2015 was ontvangen, en daarmee ook tijdig verzonden. Hierdoor was het beroepschrift te laat ingediend en niet-ontvankelijk.
Belanghebbende verzocht tevens om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wees dit verzoek af, omdat de periode tussen uitspraak op bezwaar en het instellen van beroep niet meetelde en de bezwaar- en beroepsfase binnen een redelijke termijn waren afgerond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.