Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant sub 1] ,
[appellant sub 2],
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een geschil over de voortzetting van een huurovereenkomst na het overlijden van de vader en opname van de moeder in een verzorgingstehuis. De huurovereenkomst was gesloten tussen de vader en de verhuurder, waarbij de moeder medeondertekende maar niet als huurder werd beschouwd. Na opname van de moeder in het verzorgingstehuis en het overlijden van de vader vorderde de verhuurder ontruiming van de woning.
De appellanten, erfgenamen en curatoren van de moeder, stelden dat de moeder feitelijk nog in de woning verbleef en dat haar opname in het verzorgingstehuis tijdelijk was, met de intentie tot terugkeer. Zij verwezen naar een zorgleefplan en mogelijkheden voor mantelzorg en thuiszorg. Het hof oordeelde echter dat het verblijf van de moeder in het verzorgingstehuis langdurig was en dat geen concrete invulling was gegeven aan terugkeer naar de woning.
Het hof verwierp de grieven van appellanten en bevestigde het oordeel van de kantonrechter dat de huurovereenkomst per overlijden van de vader is geëindigd en dat de moeder haar hoofdverblijf heeft verplaatst. De vordering tot ontruiming werd daarmee bevestigd. Appellanten werden veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de huurovereenkomst is geëindigd en veroordeelt appellanten tot ontruiming en kostenbetaling.