Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding voor verwijzing
2.Loop van het geding na verwijzing
3.Tussen partijen vaststaande feiten
4.Het verwijzingsarrest
2 Beoordeling van de klachten
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van een onroerende zaak die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €45.000 voor het belastingjaar 2013. Na een reeks van procedures, waaronder een niet-ontvankelijkverklaring door rechtbank en Gerechtshof Den Haag, oordeelde de Hoge Raad dat het hoger beroep ten onrechte was afgewezen en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam.
Het geschil betrof de juiste waarde van de onroerende zaak, waarbij belanghebbende stelde dat deze €394.000 bedroeg en de heffingsambtenaar €127.000. Het Hof nam een taxatierapport uit 2017 in overweging, waarin de waarde werd vastgesteld op €138.000, rekening houdend met de gewijzigde bestemming naar bedrijfsbestemming per november 2012.
Het Hof stelde vast dat de waarde volgens artikel 18 van Pro de Wet WOZ moet worden bepaald naar de staat van de zaak bij het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld, hier 1 januari 2013. Omdat geen taxatie uit die periode beschikbaar was, hechtte het Hof belang aan het taxatierapport van 2017 en wees de door de heffingsambtenaar voorgestelde indexering af. De WOZ-waarde werd vastgesteld op €138.000, waarmee het hoger beroep van belanghebbende gegrond werd verklaard en de eerdere uitspraak vernietigd.
Daarnaast veroordeelde het Hof de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan belanghebbende.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de onroerende zaak wordt vastgesteld op €138.000 en het hoger beroep van belanghebbende wordt gegrond verklaard.