ECLI:NL:GHAMS:2018:4526
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vonnis kinderrechter en beoordeling schadevergoeding benadeelde partij
In deze strafzaak, waarin hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter te Amsterdam van 6 juni 2018, heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis bevestigd. De zaak betrof een minderjarige verdachte geboren in 2003, die in eerste aanleg was veroordeeld.
De benadeelde partij had een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 6.105,81, waarvan in eerste aanleg € 2.309,61 werd toegewezen. In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich niet opnieuw gevoegd, maar het hof oordeelde over de reeds toegewezen schadevergoeding.
Het hof zag geen reden om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, deze te matigen of pondspondsgewijs toe te wijzen, zoals door de raadsman was bepleit. Ook vond het hof geen sprake van een onevenredige belasting van het strafproces. Het arrest van de Hoge Raad van 7 april 2015 werd niet toegepast, omdat de vordering betrekking had op rechtstreekse schade van het slachtoffer en niet op wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het arrest is uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 1 november 2018, waarbij de voorzitter en jongste raadsheer afwezig waren bij ondertekening.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt het vonnis van de kinderrechter en handhaaft de toegewezen schadevergoeding aan de benadeelde partij.