ECLI:NL:GHAMS:2018:4922
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging naheffingsaanslagen omzetbelasting en heffingsrente ondanks tarieffout
Belanghebbende heeft in de jaren 2009 tot en met 2012 abusievelijk het verlaagde tarief voor de omzetbelasting toegepast en dit op 17 januari 2014 gemeld aan de Belastingdienst. De inspecteur legde daarop naheffingsaanslagen op voor het verschil tussen het verlaagde en het algemene tarief, inclusief heffingsrente en deels boetes. De rechtbank verklaarde de beroepen van belanghebbende ongegrond en het hoger beroep richtte zich uitsluitend op de rechtmatigheid van de heffingsrente.
Belanghebbende voerde aan dat er geen renteschade is omdat haar afnemers de nagefactureerde omzetbelasting kunnen aftrekken en dat zij het tariefverschil niet ter beschikking heeft gehad. Tevens stelde zij dat het evenredigheidsbeginsel toepassing vindt en dat de rente daarom niet of slechts over een lager bedrag verschuldigd zou zijn. De inspecteur betoogde dat rente verschuldigd is op grond van de wet, ongeacht de positie van afnemers, en dat de relatie tussen belanghebbende en Belastingdienst centraal staat.
Het hof oordeelde dat de wettelijke regeling geen ruimte laat voor matiging van rente bij naheffingsaanslagen en dat de heffingsrente rechtstreeks voortvloeit uit de wet. De economische benadering van de wetgever houdt in dat rente wordt geheven ter compensatie van het rentenadeel van de Schatkist, ongeacht of de belastingplichtige het bedrag feitelijk ter beschikking had. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en misbruik van bevoegdheid faalt, evenals het subsidiaire standpunt over een lagere grondslag voor rente. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen met heffingsrente bevestigd.