De huurder, sinds 2003 woonachtig in een sociale huurwoning, verbleef sinds 2015 voornamelijk buiten de woning om intensieve mantelzorg te verlenen aan zijn partner met dementie. Ondanks zijn zorgtaak gebruikte hij de woning slechts sporadisch voor korte rustmomenten.
De verhuurder stelde dat de huurder zijn hoofdverblijf niet meer in de woning had, wat in strijd is met de huurovereenkomst en de bestemming van de sociale woning. De kantonrechter oordeelde dat de huurder tekortschiet in zijn verplichtingen en wees de vordering tot ontbinding en ontruiming toe.
In hoger beroep erkende de huurder zijn zorgtaak maar betoogde dat hij nog steeds zijn hoofdverblijf in de woning had. Het hof oordeelde dat het begrip hoofdverblijf inhoudt dat de woning de plaats moet zijn waar het leven zich voornamelijk afspeelt, wat niet het geval was. Het belang van de verhuurder om schaarse sociale huurwoningen rechtvaardig te verdelen weegt zwaarder dan het belang van de huurder.
Het hof bekrachtigde het vonnis tot ontbinding en ontruiming en wees op de bereidheid van de verhuurder om de huurder als medehuurder van de woning van zijn partner te accepteren, zodat hij niet dakloos wordt. De kosten van het geding werden aan de huurder opgelegd.