Uitspraak
1.[appellant] ,
2. [appellant] ,
3. [appellant] ,
[vertengenwoordiger]en
[vertengenwoordiger],
Gerechtshof Amsterdam
Appellanten stelden hoger beroep in tegen een mondeling vonnis van de voorzieningenrechter in een kort geding, maar deden dit na het verstrijken van de wettelijke beroepstermijn van vier weken. Hoewel het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak pas na afloop van de termijn werd verzonden, oordeelt het hof dat dit geen verschoonbare reden is voor de overschrijding.
De voorzieningenrechter had op 21 november 2018 mondeling uitspraak gedaan over het incidentele verzoek tot tussenkomst, conform artikel 30p Rv. De beroepstermijn begon op die datum te lopen en eindigde op 19 december 2018. De dagvaarding voor hoger beroep werd pas op 21 december 2018 betekend.
Appellanten voerden aan dat zij pas door het proces-verbaal op 21 december op de hoogte waren van de uitspraak en dat de termijn daarom verschoonbaar was. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat de wettelijke termijnen van openbare orde zijn en strikt moeten worden nageleefd. De late verzending van het proces-verbaal vormt geen bijzondere omstandigheid die de termijnoverschrijding rechtvaardigt.
Het hof concludeert dat appellanten niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep en veroordeelt hen in de kosten van het geding.
Uitkomst: Appellanten worden niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.