Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
Namens belanghebbende is verschenen [naam bestuurder 1] , bestuurder van belanghebbende. Namens de inspecteur zijn verschenen mr. P.J. Kleinsmit en mr. G.G. Poortinga.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2.Feiten
€ 1.923.432-
In haar aangifte voor het onderhavige jaar heeft eiseres haar vordering op [A] BV van € 3.279.649 afgewaardeerd naar nihil. Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder deze afwaardering niet in aftrek toegelaten.”
2. (…)
3. comparant sub 1. (…), welke vennootschap op haar beurt optreedt in de hoedanigheid van algemeen directeur van (…) [E] B.V. hierna te noemen: de vennootschap;
(…)
VESTIGING PANDRECHT
Ter uitvoering van de hiervoor vermelde overeenkomst verleent schuldenaar aan schuldeiser tot meerdere zekerheid voor de voldoening van de uit de geldlening voortvloeiende schuld met rente en kosten (…) een eerste pandrecht op de volgende aandelen in het kapitaal van de vennootschap:
(…)
De verantwoordelijkheid voor de juistheid en de volledigheid van de door u verstrekte cijfers en de hierop gebaseerde jaarrekening berust bij u.
(…)
WINST- EN VERLIESREKENING OVER 2009
3.585.766- 14.463
(…)
31.12.09 31.12.08€ €
Deelneming [B] BV (100%)
Stand per 1 januari 0 0
Oprichting 18.000 0
Herwaardering 3.300.000
- 318.000 03.000.000 0
(…)
Herwaarderingsreserve
(…)
In aanloop van de verkoop van [B BV] is een herwaarderingsreserve gevormd.
VoorzieningenPensioenvoorziening in eigen beheer
Dotatie boekjaar 1.736.485
Overdracht
- 3.111.976Stand per 31 december
Gebeurtenissen na balansdatum
In 2011 is de deelneming [B] BV verkocht aan [C] BV.
(…).”
2009/10 -/- 673
2010/11 -/- 574
2011/12 25
2012/13 290
2013/14 574
2014/15 898
(…)
Op de vraag waarom de leningsovereenkomst enkel een soort van positieve / negatieve hypotheekverklaring bevat geeft [ [naam bestuurder 3] ] aan dat een andere vorm van zekerheid eigenlijk niet mogelijk was. Al zou [ [A] BV] zekerheden hebben verstrekt, dan waren zij niets waard. [ [A] BV] zou als zekerheid namelijk alleen haar waardeloze aandelen van [ [B BV] ] kunnen verpanden.”
Ik ben er van overtuigd dat het goed was gekomen als we niet waren ingehaald door de tijd. Als we de obligatielening hadden kunnen plaatsen, zou dat ons hebben gered.
Maar daarvoor ging het allemaal net te snel. Het is ons daardoor net niet gelukt.
(…)
(…)
Met betrekking tot de vraag of de crisis zich niet al eerder liet voelen, merk ik op dat dat niet het geval was. (…) U houdt mij voor dat Lehman Brothers begin oktober 2008 omviel en dat de financiële crisis rond die gebeurtenis ook in Nederland aan de orde was.
(…)
De reden was als volgt. Ik woonde in het buitenland en kende verder niemand op de scholen. Daarom wilde in [naam bestuurder 2] erbij betrekken, voor financieel toezicht. Daarom heeft hij er zitting in genomen. Hij was voor mij de persoon die de zaken in het oog hield. [naam bestuurder 2] zat inderdaad in zoverre met twee petten op, dat hij ook bij [A] BV betrokken was. In zoverre zou hij er baat bij kunnen hebben gehad om de zaken bij [A] BV rooskleuriger voor te spiegelen dan ze waren. Maar er was daarnaast ook toezicht, door [naam financieel adviseur 1] en [naam financieel adviseur 2] . Zij hadden de objectieve analyse gedaan. Zij zijn betrokken geraakt bij de scholen toen de obligatielening in zicht kwam.
(…)
3.3. Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
€ 3.300.000 aan de herwaarderingsreserve is gedoteerd. Zo al de verkoop aan [C] BV grond zou hebben gegeven aan de herwaarderingswinst, dan zou deze herwaardering, op grond van de verkoop van [B BV] aan [naam persoon 2] voor € 1 op 23 juni 2011, moeten zijn teruggenomen. Ten tijde van het verstrekken van de lening kon belanghebbende volgens de inspecteur niet bekend zijn met de waardestijging die in 2011 bij verkoop aan [C] BV is gerealiseerd. Bovendien heeft deze waardestijging zich volgens de inspecteur niet voorgedaan, omdat de prijs waarvoor [C] BV [B BV] heeft gekocht niet zakelijk was. Dit laatste vindt volgens de inspecteur bevestiging in de omstandigheid dat [naam bestuurder 1] de aandelen in [B BV] tezelfdertijd voor € 150.000 had aangeboden aan [naam persoon 2] .
- In de jaarrekening 2009 van [ [A] BV] waren de scholen (deelneming [ [B BV] ]) gewaardeerd tegen € 3 miljoen. De waarde van deze deelneming werd door Belanghebbende fors hoger ingeschat op basis van de door [ [naam bestuurder 2] ] verstrekte informatie (bijlage 4).
- Ten tijde van het sluiten van de leningsovereenkomst, werd de jaarrekening 2008 van [ [A] BV] afgerond (…). Ook de jaarrekening 2008 toonde een positief eigen vermogen van de vennootschap (circa € 1,8 miljoen), ook dit vermogen gaf geen aanleiding om te veronderstellen dat de vennootschap op 30 oktober 2009 niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Ten opzichte van 2008 waren er nieuwe investeringen gedaan in scholen (…) waarmee (synergie)voordelen werden verwacht en bestonden er plannen om de investeringen in de scholen verder uit te breiden.
- Belanghebbende en [ [A] BV] hadden mede op basis van waarderingsrapporten het volste vertrouwen in een succesvolle ontwikkeling van de scholen. Dit wordt onderschreven door het in de tweede helft van 2010 opgestelde waarderingsrapport van € 10,5 miljoen (…)
In dit licht bezien heeft het op de weg van belanghebbende gelegen nader bewijs te leveren voor de zakelijkheid van de prijs waarvoor [B BV] in 2011 aan [C] BV is verkocht. Nu op dit punt geen bewijs is geleverd, kan niet ervan worden uitgegaan dat de prijs van
€ 8.029.000 waarvoor [C] BV [B BV] heeft gekocht, zakelijk was. Het Hof acht het, gelet hierop, niet aannemelijk dat de daling van de waarde van [B BV] tot € 1 zich eerst na de verkoop van [B BV] aan [C] BV zou hebben voorgedaan. Nu niet bekend is wat ten tijde van de verkoop van [B BV] aan [C] BV een zakelijke prijs zou zijn geweest, kan aan de tussen die vennootschappen overeengekomen prijs geen betekenis worden ontleend voor het antwoord op de vraag wat de waarde van [B BV] was ten tijde van het verstrekken van de lening, voor zover al ten tijde van dat verstrekken de [B BV] -scholen (middellijk) tot het vermogen van [A] BV behoorden en aan de waarde van die scholen in 2011 betekenis zou kunnen worden toegekend voor de leencapaciteit van de debiteur in 2009.
5. Kosten
6.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, en
- verklaart het beroep ongegrond.