ECLI:NL:GHAMS:2019:1764

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 mei 2019
Publicatiedatum
28 mei 2019
Zaaknummer
23-001518-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WVW 1994Art. 8 lid 5 WVW 1994Art. 8 lid 2 WVW 1994Art. 14a SrArt. 14b Sr
Verwijzingen
16 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep besturen bromfiets onder invloed van alcohol en cannabis

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is vastgesteld dat verdachte op 20 augustus 2017 en 6 oktober 2017 te Amsterdam een bromfiets bestuurde onder invloed van alcohol en cannabis. Het hof vernietigt het eerdere vonnis omdat het primair ten laste gelegde feit op 6 oktober 2017 niet bewezen kon worden verklaard vanwege het ontbreken van een bloedtest en de gemeten THC-waarde die niet de grens overschrijdt.

De verdachte wordt vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit, maar veroordeeld voor het subsidiaire feit, namelijk rijden met een alcoholgehalte van 735 microgram per liter uitgeademde lucht. Het hof legt een geldboete van €650,- op, 13 dagen hechtenis en ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden voor het eerste feit en twee maanden voor het tweede.

Het hof weegt mee dat verdachte tweemaal gevaarlijk rijgedrag vertoonde, onder invloed van alcohol en cannabis, en dat dit de verkeersveiligheid in gevaar bracht. Gezien het ontbreken van eerdere veroordelingen wordt een deels voorwaardelijke ontzegging opgelegd. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 20 mei 2019.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot geldboete, hechtenis en ontzegging rijbevoegdheid voor rijden onder invloed van alcohol en cannabis.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001518-18
datum uitspraak: 20 mei 2019
TEGENSPRAAK (na aanhouding verdachte niet verschenen)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 april 2018 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 96-193606-17 en 96-204104-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 mei 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 96-193606-17:
hij op of omstreeks 20 augustus 2017 te Amsterdam, een voertuig, te weten een tweewielige bromfiets heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof en/of alcohol als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en/of alcohol 2,42 milligram alcohol per milliliter bloed en/of 2,6 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die aangewezen stoffen en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde.
Zaak met parketnummer 96-204104-17 (gevoegd):
primair:
hij op of omstreeks 6 oktober 2017 te Amsterdam, een voertuig, te weten een tweewielige bromfiets, heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof en/of alcohol als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de WVW94 het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof en/of alcohol 3,0 microgram THC per liter bloed en/of 735 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg, in elk geval zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde;
subsidiair:
hij op of omstreeks 6 oktober 2017 te Amsterdam, als bestuurder van een voertuig (tweewielige bromfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 735 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van de zaak met het parketnummer 96-204104-17 tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het aan hem onder zaak 2 primair ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken en voor het subsidiaire feit zal worden veroordeeld. Hij heeft daartoe aangevoerd dat bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde tot een kwalificatieprobleem zou leiden. In de strafbaarstelling in artikel 8 lid 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) wordt nadrukkelijk het alcoholgehalte na onderzoek van het bloed strafbaar gesteld. Nu bij de verdachte geen bloedtest is afgenomen om het alcoholgehalte vast te stellen maar enkel een ademtest, kan het primair tenlastegelegde ten aanzien van de alcohol niet bewezen worden verklaard. Ook het rijden onder invloed van THC kan niet bewezen worden verklaard, aldus de advocaat-generaal, nu de gemeten waarde exact 3 microgram betreft, hetgeen de grenswaarde bij uitsluitend gebruik van dit middel niet overstijgt.
Gelet op het vorenstaande is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof komt, op grond van de bewijsmiddelen in het dossier, wel tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 96-193606-17 en in de zaak met parketnummer 96-204104-17 (gevoegd) ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 96-193606-17:
hij op 20 augustus 2017 te Amsterdam, een voertuig, te weten een tweewielige bromfiets heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof en alcohol als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de WVW 1994 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en alcohol 2,42 milligram alcohol per milliliter bloed en 2,6 microgram THC per liter bloed bedroeg.
Zaak met parketnummer 96-204104-17 (gevoegd):
hij op 6 oktober 2017 te Amsterdam, als bestuurder van een voertuig, tweewielige bromfiets, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 735 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Hetgeen in de zaak met parketnummer 96-193606-17 en in de zaak met parketnummer 96-204104-17 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 96-193606-17 en in de zaak met parketnummer 96-204104-17 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in de zaak met parketnummer 96-193606-17 bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Het in de zaak met parketnummer 96-204104-17 bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 96-193606-17 en in de zaak met parketnummer 96-204104-17 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in de zaak met parketnummer 96-193606-17 en in de zaak met parketnummer 96-204104-17 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 650,00, subsidiair dertien dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter aan de verdachte voor het bewezen verklaarde in de zaak met het parketnummer 96-193606-17 een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden opgelegd en voor het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 96-204104-17 eveneens een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in de zaak met parketnummer 96-193606-96-17 en in de zaak met parketnummer 96-204104-17 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 650,00, subsidiair dertien dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder parketnummer 96-193606-17 ten laste gelegde zal worden veroordeeld voor een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden en ter zake het onder parketnummer 96-204104-17 subsidiair ten laste gelegde voor een ontzegging van de rijbevoegdheid van twee maanden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich in korte tijd tweemaal schuldig gemaakt aan het besturen van een bromfiets op de openbare weg, terwijl hij onder invloed van alcohol, al dan niet in combinatie met cannabis verkeerde. Door aldus te handelen heeft hij de veiligheid in het verkeer in gevaar gebracht en zich onttrokken aan de verantwoordelijkheid die van een deelnemer aan het verkeer wordt vereist. Het hof neemt de verdachte dit kwalijk.
Bij het bepalen van de straf voor het besturen van een bromfiets onder invloed van alcohol heeft het hof gelet op de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken.
Bij het bepalen van de straf voor het besturen van een bromfiets onder invloed van drugs zoekt het hof aansluiting bij straffen die rechters in soortgelijke zaken voor
first offendersveelal opleggen, te weten een geldboete met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Naargelang de omstandigheden van het geval, zoals recidive, gevaarlijk rijgedrag en combinatiegebruik van drugs met alcohol of andere drugs, kan hiervan in strafverzwarende zin worden afgeweken.
Het hof is gebleken dat de verdachte gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond, nu hij zich tweemaal slingerend met zijn bromfiets op de openbare weg heeft begeven. Daarbij was eenmaal sprake van combinatiegebruik, te weten het gebruik van alcohol èn cannabis. Dit maakt dat het hof in beginsel, naast een geldboete, een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid gerechtvaardigd acht. Desalniettemin ziet het hof in de toepassing van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht en gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 april 2019, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor verkeersdelicten is veroordeeld, aanleiding om ten aanzien van de in eerste aanleg opgelegde ontzeggingen van de rijbevoegdheid anders te oordelen. Het hof zal eenmaal, om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen, een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen, met aftrek van de tijd waarop het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest. Daarnaast zal het hof een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen, teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een verkeersdelict te plegen.
Het hof acht, alles afwegende, straffen van na te melden duur dan wel hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 96-204104-17 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 96-193606-17 en in de zaak met parketnummer 96-204104-17 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 96-193606-17 en in de zaak met parketnummer 96-204104-17 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 650,00 (zeshonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
13 (dertien) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 96-204104-17 subsidiair bewezen verklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 96-193606-17 bewezen verklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van Pro die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. H.A. van Eijk, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
20 mei 2019.
De jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]