ECLI:NL:GHAMS:2019:1942

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 juni 2019
Publicatiedatum
17 juni 2019
Zaaknummer
200.254.375/01 en 200.254.376/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 222 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voeging van zaken in hoger beroep kort geding tussen Nieuwburen c.s. en ING Bank

Nieuwburen c.s. zijn in hoger beroep gekomen tegen vonnissen in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam. Zij vorderden bij incidentele conclusie op grond van artikel 222 Rv Pro de voeging van twee zaken die aanhangig zijn tussen dezelfde partijen en betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex.

Het hof heeft overwogen dat aan de voorwaarden van artikel 222 lid 1 Rv Pro is voldaan, omdat de zaken dezelfde partijen betreffen en de uitkomst van de ene zaak afhankelijk is gesteld van de andere. ING Bank heeft zich bij de incidentele vorderingen tot voeging gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof heeft de incidenten tot voeging toegewezen en de zaken samengevoegd. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaken. De hoofdzaken zijn verwezen naar de rol voor het nemen van een memorie van antwoord door ING Bank. Verdere beslissingen zijn aangehouden.

Uitkomst: Het hof heeft de incidenten tot voeging toegewezen en de zaken samengevoegd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummers : 200.254.375/01 en
200.254.376/01
zaak-/rolnummers rechtbank Amsterdam : C/13/658821 / KG ZA 18-1346 en
C/13/659986 / KG ZA 19-16
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 juni 2019
inzake
zaaknummer 200.254.375/01:

1.BELEGGINGS- EN EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ NIEUWBUREN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,
2. NOTEX B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
3. EMBOCADO B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellanten in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
advocaat: mr. J. Bouter te Amsterdam,
tegen
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. E.C. Netten te Amsterdam,
zaaknummer 200.254.376/01:

1.BELEGGINGS- EN EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ NIEUWBUREN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,
2. NOTEX B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
3. EMBOCADO B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellanten in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
advocaat: mr. J. Bouter te Amsterdam,
tegen
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. E.C. Netten te Amsterdam.
Partijen worden hierna Nieuwburen c.s. en ING genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

zaaknummer 200.254.375/01:
Nieuwburen c.s. zijn bij dagvaarding van 30 januari 2019 in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2019 onder zaak-/rolnummer C/13/658821 / KG ZA 18-1346 gewezen tussen Nieuwburen c.s. als eiseressen en ING als gedaagde. Nieuwburen c.s. hebben daarna een memorie van grieven ingediend, met producties.
Bij incidentele conclusie hebben Nieuwburen c.s. op de voet van artikel 222 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voeging gevorderd van de onderhavige zaken, met veroordeling van ING in de kosten van het incident.
Bij H-formulier van 4 april 2019 heeft ING zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.
zaaknummer 200.254.376/01:
Nieuwburen c.s. zijn tevens bij dagvaarding van 30 januari 2019 in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2019 onder zaak-/rolnummer C/13/659986 / KG ZA 19-16 gewezen tussen Nieuwburen c.s. als eiseressen en ING als gedaagde. Nieuwburen c.s. hebben daarna een memorie van grieven ingediend, met producties.
Bij incidentele conclusie hebben Nieuwburen c.s. op de voet van artikel 222 Rv Pro voeging gevorderd van de onderhavige zaken, met veroordeling van ING in de kosten van het incident.
Bij H-formulier van 4 april 2019 heeft ING zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.

2.Beoordeling

in de incidenten tot voeging:
2.1
Nieuwburen c.s. hebben voeging gevorderd op de grond dat de onderhavige zaken tussen dezelfde partijen aanhangig zijn en zien op hetzelfde feitencomplex. In de zaak met zaaknummer 200.254.376/01 wordt de uitkomst van die zaak afhankelijk gesteld van de uitkomst van de zaak met zaaknummer 200.254.375/01. ING heeft zich ten aanzien van de incidentele vorderingen tot voeging gerefereerd aan het oordeel van het hof.
2.2
Uit hetgeen Nieuwburen c.s. hebben aangevoerd volgt dat aan de eisen van artikel 222 lid 1 Rv Pro is voldaan. De zaken zullen derhalve worden gevoegd.
2.3
De beslissing over de kosten zal worden aangehouden. De hoofdzaken zullen naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord door ING.

3.Beslissing

Het hof:
in de incidenten tot voeging:
voegt de zaak met zaaknummer 200.254.375/01 met de zaak met zaaknummer 200.254.376/01;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaken;
in de hoofdzaken:
verwijst de zaken naar de rol van 2 juli 2019 voor het nemen van een memorie van antwoord door ING;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, J.C.W. Rang en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2019.